Verzilveren bovenwettelijke ammoniakreductie

Proeftuin Veenweiden werkt aan het fors reduceren van ammoniakemissie. Inzet is in elk geval een reductie van 25% tijdens de duur van het project bij de pilotboeren. Het voordeel voor de natuur is duidelijk: 25% minder emissie is ook 25% minder depositie. Maar wat is nu het voordeel voor de deelnemende melkveehouder?

Voldoen aan wettelijke verplichtingen

Melkveehouders kunnen in de eerste plaats hun ammoniakreductie inzetten om te voldoen aan toekomstige wettelijke verplichtingen, met name vanuit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Denk hierbij aan het uitrijden van met water verdunde mest als alternatief bij een verbod van de sleepvoet. Maar ook voermaatregelen die in de toekomst gaan vallen onder de PAS.
In de tweede plaats kan de ammoniakreductie gebruikt worden om te voldoen aan de eisen vanuit een NB-wetvergunning of een Omgevingsvergunning, al dan niet in het kader van bedrijfsuitbreiding.

Bovenwettelijke inspanningen

Alles wat melkveehouders nog meer doen is bovenwettelijk. Dat is mooi, maar levert dat ook nog wat op? De Proeftuin werkt aan mogelijkheden om bovenwettelijke inspanningen te verzilveren. Reductie van ammoniakemissie is namelijk ook interessant voor industrie/(lucht)havens, zuivelketens of waterschappen. Ook zij moeten hun emissies verminderen tegen veelal hoge kosten. Is er dan een deal mogelijk met de melkveehouderij? En hoe kunnen we dat verzilveren?

Maatwerk-pakketten ter verzilvering

De afgelopen tijd is gewerkt aan het in beeld brengen van de effecten en de kosten/baten van een groot aantal maatregelen. Die hebben we gebundeld tot samenhangende pakketten: een aantal ‘harde’ pakketten met fysieke maatregelen in de stal (met een ammoniakreductie van 15-20%) en een aantal ‘zachte’ managementpakketten (met een ammoniakreductie van 30-40%). De ‘harde’ pakketten vallen het duurst uit en de ‘zachte’ pakketten het goedkoopst en soms leveren ze zelfs geld op.

Sommige maatregelen hebben niet alleen een positief effect op ammoniakemissie maar dragen ook bij aan schoner (oppervlakte)water, minder bodemdaling, minder CO2 emissie, meer biodiversiteit en extra weidegang. Ook die aspecten zijn mogelijk interessant voor externe partijen en kunnen potentieel worden verzilverd. Daarom zijn er ook een aantal integrale pakketten samengesteld:

Pakket voor Wensen / doelen Pakketten
Industrie, (lucht)havens, wegverkeer Gegarandeerde langjarige reductie ammoniakemissie en CO2-uitstoot
  • Stal pakketten
  • Managementpakketten
Waterschappen Minder bodemdaling
Schoner oppervlaktewater
  • Integrale pakketten
  • Onderwaterdrainage
Zuivelketens Extra weidegang
  • Extra weidegang
Zuid-Hollandse Milieufederatie Emissiehandel via een stikstofbank
  • Werkbare pakketten voor “stikstofbank”

De komende tijd gaan we met een groot aantal partijen uit dit overzicht rond de tafel om te kijken welke mogelijkheden zij zien tot verzilvering. In volgende nieuwsberichten werken we steeds één maatwerkpakket verder uit en lichten we dat toe.

Borgen, monitoren en rapportage

Bovenwettelijke inspanningen verzilveren kan alleen via goede borging, monitoring en rapportage. De Proeftuin zou hiervoor graag hetzelfde systeem als voor de NB-wetvergunning gebruiken. Daarom gaan we binnenkort met de ontwikkelaars van Aerius om tafel, om aan te kunnen sluiten bij een bestaand wettelijk geborgd systeem dat degelijk in elkaar steekt.

Voor meer informatie of vragen

Mail naar:

Smalle weegbree multifunctioneel kruid

Kruiden in het grasland dragen bij aan een stabielere graslandproductie, mineralenvoorziening en diergezondheid. Daarnaast kan een kruid als smalle weegbree ook de ammoniak emissie van koeien verminderen, en heeft het mogelijk invloed op de nitrificatie van stikstof in de bodem. Dit voorjaar is een uitgebreid proefveld met smalle weegbree ingezaaid, waarin opbrengsten, voederwaarden en bodemstikstofgehalten worden bepaald.

Effect op bodem en nitraatvorming

Smalle weegbree multifunctioneel kruidKruiden zoals smalle weegbree produceren zogenoemde secundaire metabolieten. Dit zijn stofjes die bijvoorbeeld een remmende werking hebben op de omzetting van ammonium naar nitraat door bacteriën in de bodem, en op ammoniaproductie door bacteriën in de pens. Uit een eerste proef, waarin veengrond was overgebracht naar gecontroleerde omstandigheden in een kas, blijkt dat smalle weegbree in combinatie met Engels raaigras een net zo hoge droge stof en hogere eiwitopbrengst kan geven als alleen Engels raaigras. Na afloop van de 23 weken durende proef werd de potentiële omzetting van ammonium naar nitraat van de bodem bepaald en bleek dit met smalle weegbree bijna 40% lager dan met alleen Engels raaigras. Nitraat spoelt makkelijker uit dan ammonium; het kan dus betekenen dat smalle weegbree kan bijdragen aan het verminderen van nitraat uitspoeling.

Effect op eiwitvertering

Uit recent Nieuw-Zeelands onderzoek blijkt dat melkkoeien op een perceel gemengd met gras, klaver, cichorei en smalle weegbree, meer melkeiwit produceerden en minder stikstof via urine en mest uitscheidden. Ook hier speelden specifieke secundaire metabolieten in smalle weegbree een rol. Hoewel in deze proeven koeien een overmaat aan eiwit opnamen (wat met de grasrijke rantsoenen in Nieuw-Zeeland vaker het geval is), bieden deze onderzoeksresultaten ook zeker perspectief voor Nederlandse veenweide melkveehouders vanwege de relatief hoge eiwitgehalten van veenweide gras.

Meer weten?

Mail naar Jeroen Pijlman (j.pijlman@louisbolk.nl) of Nick van Eekeren (n.vaneekeren@louisbolk.nl)

Maatregelen met breed effect

In Proeftuin Veenweiden werken melkveehouders en adviseurs nauw samen aan de thema’s ammoniakemissie, waterkwaliteit, broeikasgasemissies en bodemdaling. Daarbij ligt de focus in eerste instantie op maatregelen om de ammoniakemissie te verminderen. Om vervolgens te onderzoeken welke effecten de maatregelen hebben voor de andere thema’s. En dan juist díe maatregelen te kiezen die ook nog een bijdrage leveren aan een of meer van de andere drie thema’s.

Maatregelen inventariseren en doorrekenen

We hebben diverse maatregelen geïnventariseerd en doorgerekend op effectiviteit qua reductie van de ammoniakemissie. Vervolgens is gekeken wat het effect is van de verschillende maatregelen op waterkwaliteit, bodemdaling en broeikasgasemissies. In tabel 1 zijn de effecten kwalitatief weergegeven. Een ‘+’ is dan een positief (wenselijk) effect en een ‘-‘ is een ongewenst effect. De doorgerekende maatregelen hebben sowieso allemaal een gunstig effect op de ammoniakemissie. Dat is ook de basis voor de keus van de maatregelen. Een aantal effecten en maatregelen wordt nader benoemd. Een eerste inschatting is dat verschillende managementmaatregelen ook economisch gunstig zijn, maar daarover een volgende keer meer informatie.

Wat weten we nu?

  • Geen negatief effect voor bodemdaling
    De effecten op de bodemdaling zijn niet in de tabel weergegeven. Geen van de maatregelen heeft een negatief effect op bodemdaling. Maar één maatregel is uitermate gunstig met het oog op bodemdaling.
  • Onderwaterdrainage: over de hele linie positief
    En dat is onderwaterdrainage: 50-75% minder bodemdaling en eenzelfde vermindering van emissies van broeikasgassen. Oorzaak: minder veenoxidatie door hogere grondwaterstanden in de zomer. Onderwaterdrainage is zelfs over de hele linie positief: er is er sprake van iets minder ammoniakemissie en ook een lager stikstofoverschot in de bodem. Het oorzakelijk verband heeft te maken met verbetering van de efficiëntie. Er is minder kunstmest nodig, de kwaliteit van het gras verbetert, de krachtvoergift kan dalen en de koeien kunnen langer weiden.
  • Verdund uitrijden van mest erg perspectiefvol
    Door meer dan 1/3 water t.o.v. mest toe te voegen bij de bemesting met drijfmest, daalt de ammoniakemissie. Hierdoor komt meer stikstof voor de plant beschikbaar en blijft bij droogte de vochtvoorziening beter op peil. Hierdoor is meer gewas te oogsten en kan zelfs op kunstmest bespaard worden. Dit is ook gunstig voor de waterkwaliteit en leidt tot minder energiegebruik (en dus minder broeikasgasemissies). Maar bij bedrijven die mais voeren, leidt deze maatregel tot minder mais bijvoeren. Dit kan juist leiden tot meer methaanemissie en dus een mogelijke stijging van de broeikasgasemissies.
  • Weidegang heeft ook aandachtspunten
    Ook meer weidegang leidt tot minder ammoniakemissie. Maar weidegang leidt veelal wel tot een hoger stikstofoverschot. En daarmee ontstaat een risico voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. De broeikasgasemissie kan stijgen doordat meer lachgas (een sterk broeikasgas) kan ontstaan bij weidegang. s. Aan de andere kant kan weidegang leiden tot vervanging van graskuil door weidegras en/of door maiskuil. Hierdoor kan de methaanemissie (ook een broeikasgas) gaan dalen. Daardoor zou de totale broeikasgasemissie weer kunnen dalen. Dit laatste is eerder aan de orde bij intensievere bedrijven dan bij extensieve bedrijven.

Tabel 1: Effect van verschillende maatregelen op de daling van de ammoniakemissie, daling van het stikstofbodemoverschot (als indicator voor de oppervlaktewaterkwaliteit) en de daling van de broeikasgasemissies. ‘+’ is een positief effect; ‘0’ betekent geen effect; ‘-‘ betekent een negatief effect; ‘+/-‘ betekent dat het effect in sommige gevallen positief uit kan pakken en in andere gevallen juist licht negatief.

Effect maatregelen op daling ammoniakemissie, stikstofbodemoverschot en broeikasgasemissies

1 het betreft alleen een kwalitatieve inschatting op het effect, hierin zijn geen kosten meegenomen

Meer weten?

Neem contact op met Michel de Haan (michel.dehaan@wur.nl) of Leo Joosten (joosten@org-id.org)

Mest-app in ontwikkeling

Bij drogende weersomstandigheden neemt de ammoniakemissie bij het uitrijden van mest toe. Denk hierbij aan een hogere windsnelheid, een hogere luchttemperatuur, meer zonnestraling of een lagere relatieve luchtvochtigheid. Kun je door rekening te houden met de weersomstandigheden de ammoniakemissie verminderen? Proeftuin Veenweiden ontwikkelt op dit moment een app waarmee melkveehouders/loonwerkers vaker onder ‘niet drogende omstandigheden’ de mest uitrijden. Want dat zorgt voor minder ammoniakemissies!

Anticiperen op het weer om emissiearm mest uit te rijden

De app geeft deelnemende boeren in het veenweide gebied een zeer globale inschatting van de te verwachten emissies bij het mest uitrijden. De app is een eenvoudige variant op het huidige wetenschappelijke ALFAM model. Daarin zijn namelijk slechts twee parameters meegenomen: windsnelheid & temperatuur. Daarnaast is het met het ALFAM emissiemodel niet mogelijk om nauwkeurig te voorspellen wat de emissie is op een specifiek moment van de dag. Onder andere omdat het model geen rekening houdt met veranderende weersomstandigheden na het moment van uitrijden.

emissie arm mest uitrijden schema

De gemiddelde omstandigheden zijn 15.2 C en 3.4 m/s.

Via de app zijn ook de mestgiftmomenten vast te leggen. Met deze data kan Wageningen University & Research achteraf – via een geavanceerder model dat eind 2017 beschikbaar komt – werken aan een betere voorspelling van de emissies tijdens het mest uitrijden. Dit onderzoek zal de basis vormen voor een verbeterde versie van de app in 2018.

Bodemdaling en onderwaterdrainage in het veenweidegebied

“Verbinden” was het sleutelwoord op 22 februari tijdens de themamiddag bij Proeftuin-pilotboer Arno Plomp. Verbinden van bodemdaling in het veenweidegebied met ammoniakemissie, waterkwaliteit en -kwantiteit. Maar ook met natuur- en landschapsbeheer. En last but not least: toekomstperspectief + verdienmogelijkheden voor de melkveehouderij. Zo’n 25 deelnemers gingen n.a.v. drie presentaties met elkaar in gesprek. Integraal denken en doen is een mooie uitdaging, maar gaat niet altijd vanzelf….

Elke centimeter telt

Marjan Holtman van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) trapte af met een presentatie over de noodzaak van een gezamenlijke aanpak om bodemdaling te beperken. Om in de toekomst te kunnen wonen en werken in het veenweidegebied moet er nu gehandeld worden. HDSR wil daarover in dialoog met belanghebbende partijen. Daarbij stelt HDSR voor polderpeilen in de toekomst niet meer volledig te indexeren aan het tempo van de (huidige) bodemdaling. Daar staat tegenover dat HDSR agrariërs en andere belanghebbenden wil faciliteren bij benodigde aanpassingen. Zo faciliteert HDSR momenteel in 2 polders agrariërs die aan de slag zijn gegaan met onderwaterdrainage (OWD). Het is de ambitie van HDSR om in 2050 de bodemdaling met 25% teruggebracht te hebben mét toekomstperspectief voor de melkveehouderij.

Uiteraard leverde dat discussie op. Sommigen waren van mening dat HDSR niet eenzijdig kan afzien van peilindexering. Anderen stonden daar voor open: “mits dat gelijk opgaat met het faciliteren van benodigde aanpassingen en we daar open over in gesprek kunnen”. HDSR kreeg voor dat laatste impliciete lof: “dat was vroeger wel eens anders”. Een belangrijke hamvraag was wie er moet gaan betalen voor de aanleg van onderwaterdrainage? HDSR gaf aan met name te willen bijdragen aan de investeringen van voorlopers én ook te willen faciliteren bij het aanvragen van POP3-subsidies voor onderwaterdrainage. “Maar op den duur is het ook een eigen verantwoordelijkheid”. Daar werd tegen ingebracht dat het tegengaan van bodemdaling een maatschappelijke opgave is en geen boerenopgave: “dat betekent 100% subsidie”. Vanuit de Proeftuin Veenweiden werd aangegeven dat het niet zo zwart-wit hoeft te liggen: “onderwaterdrainage leidt ook tot baten voor de landbouw en wie weet zijn er mogelijkheden om het in te richten als een groen-blauwe dienst” Waarmee feitelijk een voorschot werd genomen op de resterende 2 presentaties. Tenslotte werd nog vanuit de zaal meegegeven dat het waterschap af zou moeten van het dogma van grote peilvlakken: “Gemiddelde drooglegging bestaat niet, ga voor meer maatwerk, daarmee is bodemdaling beter te beperken”.

Precisiewatermanagement met onderwaterdrainage 3.0

Idse Hoving van Wageningen University & Research presenteerde de voorlopige uitkomsten van een experiment met OWD gekoppeld aan een pomp-put (‘drukdrains’), waarmee de grondwaterstand zeer precies kan worden geregeld. Dit experiment op VIC Zegveld is het afgelopen jaar gestart. Er wordt gestuurd op een vast grondwaterpeil van 35-40 cm onder maaiveld. De ambitie is om uiteindelijk te komen tot een zelflerend systeem dat volledig automatisch het grondwaterpeil constant houdt. Uit de eerste resultaten blijkt dat deze versie van OWD (onderwaterdrainage 3.0) kan leiden tot wel 75% vermindering van de bodemdaling én een betere waterhuishouding. Het verloop van de grondwaterstand door het groeiseizoen is veel vlakker dan in situaties zonder of met traditionele OWD. Er zijn ook landbouwkundige baten: minder droogte- en natschade, minder vertrappingsverliezen bij weidegang en een hogere nettoproductie. Door een lager ruw eiwit-gehalte in het nazomergras en vergroting van het aantal weidedagen (ca. 30), zorgt het ook voor een 5-10% lagere ammoniakemissie. Verder neemt ook de CO2-emissie (tot wel 75%) af en verbetert de waterkwaliteit: er mineraliseert immers veel minder veen.

Er waren veel praktische vragen vanuit de zaal. Hoe lang de drain maximaal mag zijn (300 m). Hoever uit elkaar (tussen 4-6 meter afhankelijk doordringbaarheid bodem). Of de pomp extreme droogte en heftige regenval wel aankan (ja). En of de uitslagcapaciteit wel voldoende is (ja). Ook nog een spannende suggestie: maisteelt in veenweidegebieden wordt momenteel als ongewenst gezien, vanwege het sterke effect op bodemdaling. Kan deze vorm van onderwaterdrainage maisteelt weer mogelijk maken?

Verdienen aan bodem, water en lucht?

Debby van Rotterdam (NMI/hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht) ging in op de filosofie van de Proeftuin Veenweiden dat maatschappelijke wensen op het vlak van bodem-, water- en luchtkwaliteit geen bedreiging zijn, maar een kans om aan te verdienen. Naast directe baten voor de agrarische bedrijfsvoering (zie de presentatie van Idse Hoving), liggen er ook potentiële nieuwe verdienmogelijkheden in “integrale beheerpakketten”, een soort “agrarisch natuurbeheer-pakketten”, maar dan niet gericht op weidevogels en slootkanten, maar gericht op waterkwaliteit, bodemdaling, ammoniakemissie en CO2-uitstoot. Dit soort pakketten bestaat momenteel nog niet, maar worden ontwikkeld door NMI, PPP-Agroadvies en Boeren Verstand. Het basisidee is simpel, maar om het ingepast te krijgen in bestaande kaders van het Agrarische Natuur en Landschaps-beheer is nog een heel gedoe als gevolg van Europese regels. Niettemin hebben de initiatiefnemers al de nodige stappen vooruit kunnen zetten. Er liggen ook kansen om “integrale beheerpakketten” direct vanuit waterschappen of andere belanghebbenden financieel te ondersteunen. Het idee is dat collectieven/-agrarische natuurverenigingen dit soort pakketten straks gaan aanbieden aan agrariërs in hun gebied.

Vanuit de zaal werd aangegeven dat de insteek vanuit collectieven aanspreekt. Maar dat de vergoedingen dan wel substantieel moeten zijn. En men is beducht voor ‘administratief gedoe’, waar ook het agrarisch natuurbeheer al van vergeven is….

Excursie Polder Spengen

Vanwege het stormachtige weer, werd de excursie in Polder Spengen afgeblazen. In plaats daarvan werd een filmpje vertoond over de aanleg van de onderwaterdrainage in de polder (“het was nog nooit zo stil”) en beantwoordden Annet van Schie (HDSR) en Gerard Verhoef (agrariër) vele praktische vragen over onderwaterdrainage in polder Spengen.

GVE-regeling speelt ammoniakreductie in de kaart

Pilotboer Jaco Kastelein anticipeert met zijn jongvee-beleid op de GVE-regeling en realiseert daarmee zo’n 14% ammoniakreductie.

Anticiperen en reduceren

Anticiperend op de GVE-regeling heeft Jaco zijn bedrijf kritisch onder de loep genomen en een zorgvuldige kosten/baten analyse gemaakt. Dat heeft hem doen besluiten om in 2017 op zijn bedrijf 80 melkkoeien en 28 stuks jongvee te houden en daarmee maximaal te produceren. Een opvallende stap, want 28 stuks jongvee is omgerekend 3,5 stuks jongvee per 10 melkkoeien! In 2015 waren dat er nog 5,3 en in 2016 iets minder (5,1). Met dit lagere aantal jongvee wordt op het bedrijf van Jaco wél een reductie bereikt van 91 kg NH3. Dat lijkt misschien niet veel, maar is toch 14% van de beoogde doelstelling in ammoniakreductie!

Jongvee in de wei - Veenweiden

Secuur fokken

Jaco realiseert zich dat hij door deze rigoureuze stap met het jongvee nu secuur te werk moet gaan. In de fokkerij betekent dit een keuze voor een ‘degelijke’ stier. Dat wil zeggen een stier wiens nakomelingen een grote kans van slagen hebben. Als ze eenmaal als kalf zijn uitgekozen om pink te worden, dan moet er wel een grote kans zijn dat ze als vaars en melkkoe goed presteren. Zo’n select clubje jongvee wil je goed en gezond houden, want er hangt veel van ze af. En daarmee werk je niet alleen aan een ammoniakdoelstelling, maar ook aan diergezondheid en –welzijn!

 

Proeftuin-teamgenoten zijn er klaar voor

Met 99 enthousiaste aanmeldingen zijn de teams rond de 10 pilotboeren van Proeftuin Veenweiden rond. In totaal gaan 109 melkveehouders aan de slag met ammoniakreductie, verminderen van bodemdaling en verbeteren van waterkwaliteit in het gebied.

Meekijken, meedenken, meedoen

De eerder geselecteerde pilotbedrijven zijn al aan de slag met de stevige ambitie om 25% ammoniakreductie te realiseren in drie jaar. Hun Proeftuin-teamgenoten kijken en denken de komende twee jaar mee, en passen voor hen geschikte maatregelen toe op het eigen bedrijf. Het gaat dan bijvoorbeeld om maatregelen als minder stikstof in het voer, slimmer bemesten, maximaal beweiden en toepassen van onderwaterdrainage.

Proeftuin Veenweiden teamsEigen plan, gezamenlijk doel

De bijna 100 nieuwe deelnemers zijn ingedeeld bij een pilotboer, waardoor 10 teams (studiegroepen) zijn ontstaan. Elk team heeft een eigen focus en wordt begeleid door een deskundige bedrijfsadviseur. De Kringloopwijzer komt daarbij goed van pas als vergelijkingsinstrument. Uiteindelijk gaan alle deelnemers met een eigen plan van aanpak aan de slag. De benodigde kennis kunnen Proeftuin-teamgenoten opdoen in de studiegroepen, maar ook door bij elkaar op het bedrijf te kijken en tijdens de masterclasses waar de nieuwste kennis op het gebied van mineralisatie, bodemdaling, waterkwaliteit en ammoniakreductie met de melkveehouders wordt gedeeld.

Is grasraffinage praktisch haalbaar?

Om de praktische haalbaarheid van grasraffinage te onderzoeken, heeft het bedrijf Grassa een week met een proefopstelling op het KTC Zegveld gedraaid. Een nuttige praktijkdemonstratie die melkveehouders en adviseurs met elkaar in gesprek bracht over de toepasbaarheid van grasraffinage op hun bedrijf.

Intensief versus extensief

Gras in de veenweiden is erg eiwitrijk, vooral in het najaar. Voor een melkveebedrijf zijn er enkele manieren om dit eiwitrijke gras te benutten, afhankelijk van de intensiteit van het bedrijf:

  1. Intensieve bedrijven kunnen het rantsoen aanvullen met geschikte producten (snijmais), waardoor het rantsoen in balans komt;
  2. Minder intensieve bedrijven kunnen het herfstgras mengen met de overige kuilen (mengkuil, lasagnekuil, grasbalen, voermengwagen), zodat het totaalpakket aan (kuil)gras in balans is;
  3. Extensieve bedrijven met een overmaat aan gras(eiwit) hebben eigenlijk twee opties:
    a) De overmaat aan eiwit gaat door de koe en wordt daarna in de vorm van mest afgevoerd. Nadeel: de koe knapt er niet van op, geen optimale benutting en veel ammoniakemissie.
    b) Het eiwitrijke gras naar de grasdrogerij brengen en de grasbrok als krachtvoervervanger aan de melkkoeien voeren. Nadeel: dit is een kostbare methode omdat het drogen + transport veel energie kost.

Proefopstelling grasraffinage op KTC ZegveldGrassa: een alternatief met voordelen

Grassa splitst ordinair gras in een eiwitarm vezelproduct dat geschikt is als voer voor melkkoeien en een eiwitconcentraat. Als het hoogwaardige eiwit goed in de markt gezet kan worden en de vezels goed opgenomen worden door het melkvee, is Grassa erg interessant. Het is zelfs denkbaar dat bedrijven een groter aandeel van hun gras raffineren, zodat het zowel voor het rantsoen als voor de portemonnee winst oplevert. Dat zal verder onderzocht worden.

Naast het directe voordeel op het bedrijf, levert grasraffinage meer voordelen op:

  • Door de overmaat aan eiwit in de regio af te zetten, kan de import van andere eiwitbronnen worden terug gedrongen, zodat regionale kringlopen worden gestimuleerd;
  • Door raffinage komt er minder stikstof èn fosfor in de mest. Dit geeft mogelijkheden voor minder mestafzet en betere bedrijfsontwikkeling. Zeker met de derogatie die ter discussie staat, biedt dit een welkome kans;
  • Als fosfor in de toekomst een kostbaar mineraal wordt dat zich in overmaat in de kringloop bevindt, kan Grassa het hieraan onttrekken en tot waarde brengen.

Proefopstelling grasraffinage op KTC ZegveldTechnische uitvoering grasraffinage

In de huidige Grassa-werkwijze gaat een mobiele grasraffinage de melkveebedrijven langs, vergelijkbaar met mestscheiding. Omdat de aanvoer vers gras vereist, zal er voortdurend gras moeten worden aangeleverd met een vergelijkbare opzet als grazen (frontmaaier en opraapwagen). Bij eigen machines en werktuigen is dit eerder haalbaar dan in de situatie waarbij een loonwerker wordt ingeschakeld.

Alternatief kan een regionale raffinage-opstelling zijn, waarbij gras van de melkveehouders in de regio kan worden aangevoerd. Hiermee kan de machine ook groter worden met een hogere capaciteit.

Praktisch haalbaar?

Om het voor de melkveehouder praktisch haalbaar te maken, gaan we een aantal vragen verder uitwerken en onderzoeken:

  • Wat zijn de kosten van grasraffinage op jaarbasis bij grootschalige inzet?
  • Kan door raffinage op een melkveebedrijf een seizoenoverschot aan graseiwit op een ander moment worden benut?
  • Hoe smakelijk is het eiwitarme vezelproduct voor de melkkoeien en wat is de invloed op de gezondheid en melkproductie?
  • Wat brengen de hoogwaardige raffinageproducten op? De opbrengst kan zijn direct zijn door verkoop of indirect door het sluiten van een regionale kringloop.

Meer weten?

Bel of mail naar Teus Verhoeff, 0647 155 573, teus@proeftuinveenweiden.nl of Wim Honkoop, 0613 522 542, w.honkoop@ppp-agro.nl

Wat zit er onder je zeil?

Het stalseizoen biedt de pilotbedrijven in de proeftuin de kans om het melkveerantsoen te optimaliseren. Je weet immers precies wat je voert zonder dat je afhankelijk bent van de kwaliteit en de gehaltes van vers gras. Maar in de praktijk valt dit toch niet helemaal mee… Want wat zit er onder je zeil?

Ruw eiwit

Om stikstof verliezen te voorkomen en zo de ammoniakuitstoot te beperken, sturen we bij de pilot bedrijven bewust op het ruw eiwit gehalte in het rantsoen. Hoe meer eiwit er in het rantsoen zit, hoe minder efficiënt de koeien zijn en hoe lager de benutting is. Daarom streven we ernaar om het ruw eiwitgehalte in het rantsoen niet boven de 15% uit te laten komen.

Balans tussen bestendig en onbestendig eiwit

Het eiwit in het rantsoen bestaat uit bestendig darmverteerbaar eiwit (DVE) en uit onbestendig pens afbreekbaar eiwit. De verhouding tussen energie en eiwit in de pens wordt weergegeven door de OEB (onbestendig eiwit balans) in het rantsoen. Wanneer deze te hoog is, wordt niet al het eiwit wat op pensniveau beschikbaar komt, benut. Een goede verhouding tussen DVE en OEB in het rantsoen is dus belangrijk voor een efficiënte benutting. Een optimale eiwit benutting wordt bereikt wanneer er in het rantsoen 90 gram DVE per 10 OEB zit.

Grasrantsoen

De grootse uitdaging bij rantsoenen die voornamelijk uit gras bestaan, is het realiseren van een goede verhouding tussen DVE en OEB. Volgens Eurofins Agro hadden de gemiddelde voorjaarskuilen van 2016 gemiddeld een DVE van 65 g/kg ds en een OEB van 41, ofwel ongeveer 16 DVE per 10 OEB in plaats van 90. Dit moet dus gecorrigeerd worden met andere voedermiddelen. Dat is lastig als je rantsoen grotendeels uit gras bestaat, zoals in het Veenweidengebied het geval is. De totale hoeveelheid eiwit is dan wel voldoende, maar de verdeling tussen pens en darm verteerbaar eiwit is niet optimaal. We zullen dus aan een andere eiwitsamenstelling in het gras moeten werken.

Sturen op bestendig eiwit

Hoe kunnen we het eiwittype in de graskuil beïnvloeden? Spelen behalve het droge stof percentage misschien ook het maaistadium en de hoeveelheid en type kunstmest een rol? Komend jaar experimenteren de deelnemers aan de Proeftuin met deze inzichten en ideeën om met elkaar te ontdekken hoe je tot een betere graskuil en hogere benutting komt.

Grip op bodemmineralisatie

Hoe krijgen we meer grip op de mineralisatie van stikstof uit de bodem en de opname door gras? Kunnen we sturen op stikstofmineralisatie met bodemmanagent, bemesting, gras, kruiden of onderwaterdrainage? Belangrijke vragen, waar we met een aantal praktijk- en inhoudsdeskundigen dieper op in zijn gegaan tijdens de themamiddag van Proeftuin Veenweiden op 15 november jl.

Beter benutten

Gekeken is naar de mineralisatie uit veen en de benutting in gras. De mineralisatie van stikstof uit veen is misschien wel hoger dan 500 kg N per ha per jaar, maar we benutten er gemiddeld maar 250 kg N per ha van met de teelt van gras. De rest gaat verloren en draagt wel bij aan inklinking van het veenweidegebied. Het is als rijden met een auto met een gat in de brandstoftank; autorijden levert sowieso al uitsloot van broeikasgassen op, maar door het gat in de tank verliezen we ook nog veel brandstof zonder dat we het benutten. In het project willen we enerzijds het gat in de brandstoftank dichten en aan de andere kant zorgen dat de auto zuiniger gaat rijden met een betere benutting. Daarvoor gaan we inspelen op de mineralisatie met bemesting en graslandmanagement, en tevens proberen te sturen op de mineralisatie.

Resultaten van onderzoek en tips voor de praktijk

Tijdens de bijeenkomst liet Jeroen Pijlman, onderzoeker van het Louis Bolk Instituut, zien dat aan de hand van een uitbreide data-analyse de stikstofopname van gras voorspeld kan worden. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, ligt de hoogste opnamen van stikstof niet in het najaar maar rond half augustus. Met de deelnemende veehouders willen we nu gaan kijken of we dit kunnen gebruiken voor een voorspellende tool. Tevens lieten Nick van Eekeren en Michel de Haan de eerste cijfers zien van sturen op mineralisatie in veenweidebodem middels carbonaat- en sulfaatmeststoffen, extract van compost en kruiden. Het blijkt dat carbonaatmeststoffen de mineralisatie stimuleren en sulfaat meststoffen de mineralisatie remmen. Het extract van compost lijkt bij toediening in het voorjaar het hele seizoen extra mineralisatie te geven. Wim Honkoop en Sander Heikoop van PPP-Agro Advies gaven aan dat temperatuur een grotere invloed heeft op mineralisatie dan vocht. Door het vochtgehalte in de bodem te veranderen kun je temperatuur sturen. Uit de presentatie van Leo Joosten van ORG-ID blijkt dat met drukdrains afgelopen weideseizoen extreme waterpeilen zijn voorkomen. Bruikbare resultaten en inzichten waar we mee verder kunnen!