Smalle weegbree multifunctioneel kruid

Kruiden in het grasland dragen bij aan een stabielere graslandproductie, mineralenvoorziening en diergezondheid. Daarnaast kan een kruid als smalle weegbree ook de ammoniak emissie van koeien verminderen, en heeft het mogelijk invloed op de nitrificatie van stikstof in de bodem. Dit voorjaar is een uitgebreid proefveld met smalle weegbree ingezaaid, waarin opbrengsten, voederwaarden en bodemstikstofgehalten worden bepaald.

Effect op bodem en nitraatvorming

Smalle weegbree multifunctioneel kruidKruiden zoals smalle weegbree produceren zogenoemde secundaire metabolieten. Dit zijn stofjes die bijvoorbeeld een remmende werking hebben op de omzetting van ammonium naar nitraat door bacteriën in de bodem, en op ammoniaproductie door bacteriën in de pens. Uit een eerste proef, waarin veengrond was overgebracht naar gecontroleerde omstandigheden in een kas, blijkt dat smalle weegbree in combinatie met Engels raaigras een net zo hoge droge stof en hogere eiwitopbrengst kan geven als alleen Engels raaigras. Na afloop van de 23 weken durende proef werd de potentiële omzetting van ammonium naar nitraat van de bodem bepaald en bleek dit met smalle weegbree bijna 40% lager dan met alleen Engels raaigras. Nitraat spoelt makkelijker uit dan ammonium; het kan dus betekenen dat smalle weegbree kan bijdragen aan het verminderen van nitraat uitspoeling.

Effect op eiwitvertering

Uit recent Nieuw-Zeelands onderzoek blijkt dat melkkoeien op een perceel gemengd met gras, klaver, cichorei en smalle weegbree, meer melkeiwit produceerden en minder stikstof via urine en mest uitscheidden. Ook hier speelden specifieke secundaire metabolieten in smalle weegbree een rol. Hoewel in deze proeven koeien een overmaat aan eiwit opnamen (wat met de grasrijke rantsoenen in Nieuw-Zeeland vaker het geval is), bieden deze onderzoeksresultaten ook zeker perspectief voor Nederlandse veenweide melkveehouders vanwege de relatief hoge eiwitgehalten van veenweide gras.

Meer weten?

Mail naar Jeroen Pijlman (j.pijlman@louisbolk.nl) of Nick van Eekeren (n.vaneekeren@louisbolk.nl)

Maatregelen met breed effect

In Proeftuin Veenweiden werken melkveehouders en adviseurs nauw samen aan de thema’s ammoniakemissie, waterkwaliteit, broeikasgasemissies en bodemdaling. Daarbij ligt de focus in eerste instantie op maatregelen om de ammoniakemissie te verminderen. Om vervolgens te onderzoeken welke effecten de maatregelen hebben voor de andere thema’s. En dan juist díe maatregelen te kiezen die ook nog een bijdrage leveren aan een of meer van de andere drie thema’s.

Maatregelen inventariseren en doorrekenen

We hebben diverse maatregelen geïnventariseerd en doorgerekend op effectiviteit qua reductie van de ammoniakemissie. Vervolgens is gekeken wat het effect is van de verschillende maatregelen op waterkwaliteit, bodemdaling en broeikasgasemissies. In tabel 1 zijn de effecten kwalitatief weergegeven. Een ‘+’ is dan een positief (wenselijk) effect en een ‘-‘ is een ongewenst effect. De doorgerekende maatregelen hebben sowieso allemaal een gunstig effect op de ammoniakemissie. Dat is ook de basis voor de keus van de maatregelen. Een aantal effecten en maatregelen wordt nader benoemd. Een eerste inschatting is dat verschillende managementmaatregelen ook economisch gunstig zijn, maar daarover een volgende keer meer informatie.

Wat weten we nu?

  • Geen negatief effect voor bodemdaling
    De effecten op de bodemdaling zijn niet in de tabel weergegeven. Geen van de maatregelen heeft een negatief effect op bodemdaling. Maar één maatregel is uitermate gunstig met het oog op bodemdaling.
  • Onderwaterdrainage: over de hele linie positief
    En dat is onderwaterdrainage: 50-75% minder bodemdaling en eenzelfde vermindering van emissies van broeikasgassen. Oorzaak: minder veenoxidatie door hogere grondwaterstanden in de zomer. Onderwaterdrainage is zelfs over de hele linie positief: er is er sprake van iets minder ammoniakemissie en ook een lager stikstofoverschot in de bodem. Het oorzakelijk verband heeft te maken met verbetering van de efficiëntie. Er is minder kunstmest nodig, de kwaliteit van het gras verbetert, de krachtvoergift kan dalen en de koeien kunnen langer weiden.
  • Verdund uitrijden van mest erg perspectiefvol
    Door meer dan 1/3 water t.o.v. mest toe te voegen bij de bemesting met drijfmest, daalt de ammoniakemissie. Hierdoor komt meer stikstof voor de plant beschikbaar en blijft bij droogte de vochtvoorziening beter op peil. Hierdoor is meer gewas te oogsten en kan zelfs op kunstmest bespaard worden. Dit is ook gunstig voor de waterkwaliteit en leidt tot minder energiegebruik (en dus minder broeikasgasemissies). Maar bij bedrijven die mais voeren, leidt deze maatregel tot minder mais bijvoeren. Dit kan juist leiden tot meer methaanemissie en dus een mogelijke stijging van de broeikasgasemissies.
  • Weidegang heeft ook aandachtspunten
    Ook meer weidegang leidt tot minder ammoniakemissie. Maar weidegang leidt veelal wel tot een hoger stikstofoverschot. En daarmee ontstaat een risico voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. De broeikasgasemissie kan stijgen doordat meer lachgas (een sterk broeikasgas) kan ontstaan bij weidegang. s. Aan de andere kant kan weidegang leiden tot vervanging van graskuil door weidegras en/of door maiskuil. Hierdoor kan de methaanemissie (ook een broeikasgas) gaan dalen. Daardoor zou de totale broeikasgasemissie weer kunnen dalen. Dit laatste is eerder aan de orde bij intensievere bedrijven dan bij extensieve bedrijven.

Tabel 1: Effect van verschillende maatregelen op de daling van de ammoniakemissie, daling van het stikstofbodemoverschot (als indicator voor de oppervlaktewaterkwaliteit) en de daling van de broeikasgasemissies. ‘+’ is een positief effect; ‘0’ betekent geen effect; ‘-‘ betekent een negatief effect; ‘+/-‘ betekent dat het effect in sommige gevallen positief uit kan pakken en in andere gevallen juist licht negatief.

Effect maatregelen op daling ammoniakemissie, stikstofbodemoverschot en broeikasgasemissies

1 het betreft alleen een kwalitatieve inschatting op het effect, hierin zijn geen kosten meegenomen

Meer weten?

Neem contact op met Michel de Haan (michel.dehaan@wur.nl) of Leo Joosten (joosten@org-id.org)

Mest-app in ontwikkeling

Bij drogende weersomstandigheden neemt de ammoniakemissie bij het uitrijden van mest toe. Denk hierbij aan een hogere windsnelheid, een hogere luchttemperatuur, meer zonnestraling of een lagere relatieve luchtvochtigheid. Kun je door rekening te houden met de weersomstandigheden de ammoniakemissie verminderen? Proeftuin Veenweiden ontwikkelt op dit moment een app waarmee melkveehouders/loonwerkers vaker onder ‘niet drogende omstandigheden’ de mest uitrijden. Want dat zorgt voor minder ammoniakemissies!

Anticiperen op het weer om emissiearm mest uit te rijden

De app geeft deelnemende boeren in het veenweide gebied een zeer globale inschatting van de te verwachten emissies bij het mest uitrijden. De app is een eenvoudige variant op het huidige wetenschappelijke ALFAM model. Daarin zijn namelijk slechts twee parameters meegenomen: windsnelheid & temperatuur. Daarnaast is het met het ALFAM emissiemodel niet mogelijk om nauwkeurig te voorspellen wat de emissie is op een specifiek moment van de dag. Onder andere omdat het model geen rekening houdt met veranderende weersomstandigheden na het moment van uitrijden.

emissie arm mest uitrijden schema

De gemiddelde omstandigheden zijn 15.2 C en 3.4 m/s.

Via de app zijn ook de mestgiftmomenten vast te leggen. Met deze data kan Wageningen University & Research achteraf – via een geavanceerder model dat eind 2017 beschikbaar komt – werken aan een betere voorspelling van de emissies tijdens het mest uitrijden. Dit onderzoek zal de basis vormen voor een verbeterde versie van de app in 2018.

Is grasraffinage praktisch haalbaar?

Om de praktische haalbaarheid van grasraffinage te onderzoeken, heeft het bedrijf Grassa een week met een proefopstelling op het KTC Zegveld gedraaid. Een nuttige praktijkdemonstratie die melkveehouders en adviseurs met elkaar in gesprek bracht over de toepasbaarheid van grasraffinage op hun bedrijf.

Intensief versus extensief

Gras in de veenweiden is erg eiwitrijk, vooral in het najaar. Voor een melkveebedrijf zijn er enkele manieren om dit eiwitrijke gras te benutten, afhankelijk van de intensiteit van het bedrijf:

  1. Intensieve bedrijven kunnen het rantsoen aanvullen met geschikte producten (snijmais), waardoor het rantsoen in balans komt;
  2. Minder intensieve bedrijven kunnen het herfstgras mengen met de overige kuilen (mengkuil, lasagnekuil, grasbalen, voermengwagen), zodat het totaalpakket aan (kuil)gras in balans is;
  3. Extensieve bedrijven met een overmaat aan gras(eiwit) hebben eigenlijk twee opties:
    a) De overmaat aan eiwit gaat door de koe en wordt daarna in de vorm van mest afgevoerd. Nadeel: de koe knapt er niet van op, geen optimale benutting en veel ammoniakemissie.
    b) Het eiwitrijke gras naar de grasdrogerij brengen en de grasbrok als krachtvoervervanger aan de melkkoeien voeren. Nadeel: dit is een kostbare methode omdat het drogen + transport veel energie kost.

Proefopstelling grasraffinage op KTC ZegveldGrassa: een alternatief met voordelen

Grassa splitst ordinair gras in een eiwitarm vezelproduct dat geschikt is als voer voor melkkoeien en een eiwitconcentraat. Als het hoogwaardige eiwit goed in de markt gezet kan worden en de vezels goed opgenomen worden door het melkvee, is Grassa erg interessant. Het is zelfs denkbaar dat bedrijven een groter aandeel van hun gras raffineren, zodat het zowel voor het rantsoen als voor de portemonnee winst oplevert. Dat zal verder onderzocht worden.

Naast het directe voordeel op het bedrijf, levert grasraffinage meer voordelen op:

  • Door de overmaat aan eiwit in de regio af te zetten, kan de import van andere eiwitbronnen worden terug gedrongen, zodat regionale kringlopen worden gestimuleerd;
  • Door raffinage komt er minder stikstof èn fosfor in de mest. Dit geeft mogelijkheden voor minder mestafzet en betere bedrijfsontwikkeling. Zeker met de derogatie die ter discussie staat, biedt dit een welkome kans;
  • Als fosfor in de toekomst een kostbaar mineraal wordt dat zich in overmaat in de kringloop bevindt, kan Grassa het hieraan onttrekken en tot waarde brengen.

Proefopstelling grasraffinage op KTC ZegveldTechnische uitvoering grasraffinage

In de huidige Grassa-werkwijze gaat een mobiele grasraffinage de melkveebedrijven langs, vergelijkbaar met mestscheiding. Omdat de aanvoer vers gras vereist, zal er voortdurend gras moeten worden aangeleverd met een vergelijkbare opzet als grazen (frontmaaier en opraapwagen). Bij eigen machines en werktuigen is dit eerder haalbaar dan in de situatie waarbij een loonwerker wordt ingeschakeld.

Alternatief kan een regionale raffinage-opstelling zijn, waarbij gras van de melkveehouders in de regio kan worden aangevoerd. Hiermee kan de machine ook groter worden met een hogere capaciteit.

Praktisch haalbaar?

Om het voor de melkveehouder praktisch haalbaar te maken, gaan we een aantal vragen verder uitwerken en onderzoeken:

  • Wat zijn de kosten van grasraffinage op jaarbasis bij grootschalige inzet?
  • Kan door raffinage op een melkveebedrijf een seizoenoverschot aan graseiwit op een ander moment worden benut?
  • Hoe smakelijk is het eiwitarme vezelproduct voor de melkkoeien en wat is de invloed op de gezondheid en melkproductie?
  • Wat brengen de hoogwaardige raffinageproducten op? De opbrengst kan zijn direct zijn door verkoop of indirect door het sluiten van een regionale kringloop.

Meer weten?

Bel of mail naar Teus Verhoeff, 0647 155 573, teus@proeftuinveenweiden.nl of Wim Honkoop, 0613 522 542, w.honkoop@ppp-agro.nl

Grip op bodemmineralisatie

Hoe krijgen we meer grip op de mineralisatie van stikstof uit de bodem en de opname door gras? Kunnen we sturen op stikstofmineralisatie met bodemmanagent, bemesting, gras, kruiden of onderwaterdrainage? Belangrijke vragen, waar we met een aantal praktijk- en inhoudsdeskundigen dieper op in zijn gegaan tijdens de themamiddag van Proeftuin Veenweiden op 15 november jl.

Beter benutten

Gekeken is naar de mineralisatie uit veen en de benutting in gras. De mineralisatie van stikstof uit veen is misschien wel hoger dan 500 kg N per ha per jaar, maar we benutten er gemiddeld maar 250 kg N per ha van met de teelt van gras. De rest gaat verloren en draagt wel bij aan inklinking van het veenweidegebied. Het is als rijden met een auto met een gat in de brandstoftank; autorijden levert sowieso al uitsloot van broeikasgassen op, maar door het gat in de tank verliezen we ook nog veel brandstof zonder dat we het benutten. In het project willen we enerzijds het gat in de brandstoftank dichten en aan de andere kant zorgen dat de auto zuiniger gaat rijden met een betere benutting. Daarvoor gaan we inspelen op de mineralisatie met bemesting en graslandmanagement, en tevens proberen te sturen op de mineralisatie.

Resultaten van onderzoek en tips voor de praktijk

Tijdens de bijeenkomst liet Jeroen Pijlman, onderzoeker van het Louis Bolk Instituut, zien dat aan de hand van een uitbreide data-analyse de stikstofopname van gras voorspeld kan worden. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, ligt de hoogste opnamen van stikstof niet in het najaar maar rond half augustus. Met de deelnemende veehouders willen we nu gaan kijken of we dit kunnen gebruiken voor een voorspellende tool. Tevens lieten Nick van Eekeren en Michel de Haan de eerste cijfers zien van sturen op mineralisatie in veenweidebodem middels carbonaat- en sulfaatmeststoffen, extract van compost en kruiden. Het blijkt dat carbonaatmeststoffen de mineralisatie stimuleren en sulfaat meststoffen de mineralisatie remmen. Het extract van compost lijkt bij toediening in het voorjaar het hele seizoen extra mineralisatie te geven. Wim Honkoop en Sander Heikoop van PPP-Agro Advies gaven aan dat temperatuur een grotere invloed heeft op mineralisatie dan vocht. Door het vochtgehalte in de bodem te veranderen kun je temperatuur sturen. Uit de presentatie van Leo Joosten van ORG-ID blijkt dat met drukdrains afgelopen weideseizoen extreme waterpeilen zijn voorkomen. Bruikbare resultaten en inzichten waar we mee verder kunnen!

Gras met een ruw eiwitbegrenzer

Veengrond kent een hoge mineralisatie van stikstof. Dat geeft vooral in zomer en najaar hoge ruw eiwitgehaltes in het gras; hoger dan de gewenste 16% voor een goed en gezond grasrantsoen. Onderzoekers zoeken daarom naar een gras dat in plaats van meer eiwit, juist meer celwanden en suikers produceert; een hoogproductief gras met een ruw eiwitbegrenzer.

Gekeken wordt naar de geschiktheid van Engels raaigras. Een grasras dat veel produceert, maar met een relatief laag én constant ruw eiwitgehalte tussen de 16-18%. Daarmee is de diergezondheid én de ammoniakemissie gediend in het veenweidegebied.

In figuur 1 is het verloop van het ruw eiwitgehalte in gras op veengrond weergegeven voor 2012 en 2013. Dat laat duidelijk de najaarspiek zien, net als de jaarrond hoge ruw eiwitgehaltes (veelal boven de 20%). De toename van eiwit in het najaar is vooral een gevolg van de afnemende grasgroei, waardoor de concentratie eiwit per kg gras toeneemt.

Verloop van het ruw eiwitgehalte in gras op veengrond

Figuur 1. Verloop van het ruw eiwitgehalte in gras op veengrond
in 2012 (blauwe lijn) en 2013 (rode lijn).
16% ruw eiwit correspondeert met 160 g/kg droge stof. (Bron: BLGG AgroXpertus)

Compensatie van het eiwitgehalte in het rantsoen door mais te voeren is doorgaans duur, omdat de mais vaak moet worden aangekocht. Bovendien blijkt uit een eerdere oriënterende potproef van het VIC, het Louis Bolk Instituut en DLF, dat er grote variatie (>9% of te wel 90 g kg droge stof) is in eiwitgehalten tussen de verschillende rassen Engels raaigras. Dit geeft aan dat er ruimte is om het ruw eiwitgehalte in het weiderantsoen en daarmee de uitstoot van ammoniak te verlagen door de juiste selectie van grasrassen. Dat biedt perspectief en een goede uitgangspositie voor het verder testen van deze rassen op veldniveau in de veenbodem.

Op het VIC in Zegveld zijn daarom dit najaar proefvelden ingezaaid met vier rassen Engels raaigras die in het oriënterend onderzoek verschillen in ruw eiwitgehalte lieten zien. In het groeiseizoen van 2017 worden de eerste opbrengst en voederwaarde metingen gedaan aan deze proefvelden.

Neem voor meer informatie contact op met Nick van Eekeren (n.vaneekeren@louisbolk.nl), Jeroen Pijlman (j.pijlman@louisbolk.nl) of Nyncke Hoekstra (n.hoekstra@louisbolk.nl).

 

Kruiden bieden kansen

De koeien op de proefboerderij in Zegveld stonden in augustus voor het eerst op een veld met smalle weegbree. Weiden op kruidenrijk gras kan het rantsoen verbreden en bijdragen aan diergezondheid. Dat blijkt uit onderzoek door PPP-Agro Advies samen met het Veenweiden Innovatiecentrum en het Louis Bolk instituut.

Voor het onderzoek zijn is in het voorjaar van 2016 een veld met Engels raaigras en smalle weegbree ingezaaid. Dat is erg goed aangeslagen en leverde een mooi kruidenrijk perceel op, waar de koeien prima op weiden, zie de beelden in het filmpje.

Er is gekozen voor smalle weegbree als een van de kansrijke opties, omdat er veel mineralen en sporenelementen inzitten en het van oudsher bekend staat om zijn ontstekingsremmende werking. Door het rantsoen van de koeien op deze manier te verbreden hopen we de gezondheid van de koeien te verbeteren. Ook kan het wortelstelsel van kruiden mogelijk aanvullend functioneren op dat van gras.

Neem voor meer informatie contact op met Nick van Eekeren (n.vaneekeren@louisbolk.nl) of Wim Honkoop (w.honkoop@ppp-agro.nl).


Bekijk het filmpje:

Is 25% ammoniakreductie haalbaar?

Door maximaal te beweiden, een rantsoen op maat te voeren en de mest met water aan te wenden komen veel bedrijven al flink in de richting van de 25%. Dat geeft perspectief waaraan kan worden gewerkt. Maar er liggen nog uitdagingen genoeg:

  • Hoe hou ik mijn koeien 250 dagen x 8 uur buiten?
  • Hoe kom ik tot een rantsoen van 15% ruw eiwit met veel eigen gras daarin?
  • Hoe voeg ik voldoende water toe bij het uitrijden, ook op de percelen op afstand?

In de afgelopen weken hebben de pilotbedrijven van de Proeftuin Veenweiden met hun begeleiders een plan van aanpak geformuleerd. Voor alle bedrijven is het doel: een reductie van 25% van de ammoniak emissie ten opzichte van 2015. De grote vraag aan tafel was: Is dit haalbaar?

Kringloopwijzer

De Kringloopwijzer geeft een prima indicatie van de ammoniakemissie op bedrijfsniveau. Aan de hand van bedrijfsgegevens in combinatie met emissie-modellen wordt de ammoniak emissie op de verschillende onderdelen van het bedrijf berekend (stal en mestopslag, mestaanwending, kunstmest, beweiding en gewasresten). Het doel is om deze verliezen met 25% te reduceren. In hoeverre dit doel is gehaald, kan worden gevolgd via de Kringloopwijzer.

Meer/minder ammoniak

Je krijgt meer ammoniak als:

  • er een overmaat aan ruw eiwit in het rantsoen zit
  • de mest met urine in aanraking komt

Je krijgt minder ammoniak als:

  • er wordt beweid (dan komen mest en urine niet bij elkaar)
  • de urine in de stal snel wordt afgevoerd (emissie-arme vloer)
  • er eiwit op maat in het rantsoen zit

>> Lees meer over ammoniak

Mestaanwending

Naast de stal en mestopslag is de mestaanwending een grote bron van ammoniakemissie. Bij het aanwenden komt de drijfmest in aanraking met de buitenlucht en kan de ammoniak eenvoudig ontsnappen. Daarom zijn indertijd de wettelijke regels omtrent mestaanwending al aangescherpt, omdat de ketsplaat helemaal een speeltuin voor ammoniak was. Daarom hebben we nu zodebemesters, sleepvoeten, sleufkouters, etc.

Inmiddels heeft zich een extra alternatief aangediend: drijfmest aanwenden met water. Uit onderzoek is gebleken dat bij een verhouding van 2 mest en 1 water de emissie van ammoniak met 40% wordt terug gedrongen! Het water weet de stikstof dusdanig te binden dat het niet als ammoniak de lucht in gaat, maar door de plant kan worden benut.

Plan van aanpak

Om gericht hieraan te werken is een plan van aanpak gemaakt, zodat helder is wat er moet gebeuren. Belangrijk hierbij zijn de erfbetreders:

  • De voeradviseur en de dierenarts als het gaat om het rantsoen
  • De loonwerker als het gaat om mest uitrijden met water

Dat moeten toch interessante gesprekken opleveren aan de keukentafel!

Meer weten over de bedrijfsplan aanpak in de proeftuin?
Bel of mail naar Teus Verhoeff, 064 71 555 73, teus@proeftuinveenweiden.nl

Ammoniak, wat is het nou eigenlijk?

We hebben het veel over ammoniak, maar wat is het nou eigenlijk?

Ammoniak bestaat uit één stikstof molecuul met drie waterstof moleculen (NH3). De stikstof komt de koe binnen in de vorm van eiwit. De bedoeling is natuurlijk dat we zoveel mogelijk hiervan terug vinden in de melk. Door de vertering komt er uiteraard ook stikstof in de mest. Dat is de zogenaamde organisch gebonden stikstof die niet omgezet wordt in ammoniak. De overmaat aan stikstof in het lichaam wordt door de nieren uit het lichaam gehaald en in de vorm van ureum in de urine afgevoerd. Deze ureum is de basis voor ammoniak. Hoe meer ureum in de urine, hoe groter de kans op ammoniak. Ammoniak wordt gevormd als ureum in aanraking komt met urease, dat zich in de mest bevindt.

Je krijgt dus meer ammoniak als:

  • er een overmaat aan ruw eiwit in het rantsoen zit
  • de mest met urine in aanraking komt

Je krijgt dus minder ammoniak als:

  • er wordt beweid (dan komen mest en urine niet bij elkaar)
  • de urine in de stal snel wordt afgevoerd (emissie-arme vloer)
  • er eiwit op maat in het rantsoen zit

Hoger ruw eiwitgehalte in het najaar op veen vooral door lagere groei van het gras

Door de hoge stikstofmineralisatie uit veenbodems zijn de eiwitgehalte in het gras over het algemeen hoog. Vervolgens leiden deze hogere ruw eiwitgehalte van het gras vaak tot hoge ruw eiwitgehalten in het rantsoen, wat leidt tot extra ammoniakemissie. In de Proeftuin Veenweiden proberen we daarom meer vat te krijgen op de opname van vrijgekomen stikstof uit de veenbodem door gras. En meer specifiek, wanneer in het seizoen gras stikstof opneemt uit gemineraliseerd veen, en hoe groot deze opname is.