Kunstmestgift die past bij hoeveelheid mineralisatie

Proeftuin Veenweiden pilotbedrijf Bartlo Hoogendijk wil graag gras winnen met 160 ruweiwit (RE). Om dat te realiseren, moet hij wat bedenken voor het najaar, want dan komt er een flinke stoot aan extra stikstof vrij door de mineralisatie van de veengrond en die verschilt nogal per perceel. In dit eerste experiment van de proef wil hij uitzoeken wat de kunstmestgift moet zijn voor de percelen met een lage mineralisatie.

Mineralisatie in kaart

Voor het experiment heeft Bartlo op een kaart aangegeven wat de verwachte mineralisatie per perceel zal zijn. Hiervoor is gekeken naar factoren die de mineralisatie beïnvloeden: Waar warmt de bodem het snelst op? Waar is de pH hoog en waar laag? Is er wel eens stikstof- en of fosfaatgebrek in het gras te zien geweest? Hoe hoog is het gehalte aan organische stof? Aan de hand van deze kennis uit de praktijk is onderstaande kaart samengesteld. Rechts de percelen waar een hoge mineralisatie te verwachten is en links de percelen met minder mineralisatie. Op basis van de resultaten gaat hij straks kijken of deze aannames kloppen en wat de consequentie is voor de kunstmestgift.

Kaart: Percelen met de verwachte mate van mineralisatie

Kaart: Percelen met de verwachte mate van mineralisatie

Experimenteren met kunstmestgift

In het experiment varieert hij voorafgaand aan de derde snede met de kunstmestgift. Uit de kaart blijkt dat er op de percelen 14 en 15 een lagere mineralisatie wordt verwacht. Als dat het geval is, zal het verschil in kunstmestgift duidelijk te zien zijn aan de grasopbrengst, omdat deze niet wordt gecompenseerd door een overweldigende hoeveelheid stikstof uit mineralisatie. Beide percelen zijn vóór het experiment twee keer gemaaid en de bemesting is voor de percelen gelijk geweest (25 kuub rundveedrijfmest voor de 1e snede, 490 kg KAS voor de 1e en 2e snede). Voor de derde snede zijn de percelen in 3 stukken verdeeld, waarbij onderscheid is gemaakt in de kunstmestgift (0, 80 en 160 kg N in de vorm van KAS).

Op 30 juli, vlak vóór de oogst van de derde snede is er een vers gras monster genomen en is de opbrengst per ha bepaald (kg droge stof per ha). In onderstaande tabel staat de kwantiteit (kg droge stof) en kwaliteit (VEM en ruw eiwit) van de grasmonsters weergegeven.

Tabel: Vers gras monsters 3e snede bij verschillende N-gift (KAS)

Vers gras monsters 3e snede bij verschillende N-gift (KAS)

Wat zien we?

Uit de resultaten blijkt dat er zonder KAS een lagere opbrengst is in droge stof en een lager RE-gehalte. Het verschil tussen een bemesting met 80 of 160 kg KAS is nihil voor RE-gehalte, terwijl er wel een flink verschil is in ds-opbrengst.

Een voorlopige conclusie is, dat op percelen met een lagere verwachte mineralisatie een hogere gift aan kunstmest (160 kg KAS) nodig is voor een vergelijkbare opbrengst en een RE-gehalte dat niet onder het niveau van 160 gram terecht komt.

Voor het vervolg wordt er ook gekeken naar de percelen met een hogere verwachte mineralisatie. Hier zou de bemesting in de 2e helft van het jaar lager kunnen zijn.

 

Waarom wordt het gras groen na het spuiten van bagger?

Dat het gras mooi groen wordt en smakelijk is na het spuiten van bagger over een perceel, is al langer bekend bij veehouders. De vraag hoe dit komt en wat de mineralenbenutting eigenlijk is, blijft echter nog grotendeels onbeantwoord. Reden voor Richard Korrel, deelnemer Proeftuin Veenweiden, om eens wat experimenten te doen tijdens het spuiten van bagger.

Kwaliteit van de bagger

Eind mei heeft Korrel tijdens het bagger spuiten een aantal emmers neergezet, om te kijken wat er nu eigenlijk gemiddeld op een perceel wordt gebracht. Zowel de hoeveelheid opgebrachte bagger, als de kwaliteit ervan is interessant om te weten. Daarnaast is ook de benutting van belang: wat is de uiteindelijke opbrengst?

Pilotboer Richard Korrel heeft tijdens het bagger spuiten een aantal emmers neergezet

Tijdstip van spuiten

Het begint echter met het tijdstip: wanneer kun je het beste bagger spuiten? Vanuit het oogpunt van behoud van flora en fauna wil je niet te snel beginnen. In het voorjaar gebeurt er in dat opzicht veel in de sloot; het bruist van nieuw leven en activiteit rond die tijd. Vanuit het oogpunt van een efficiënte benutting van mineralen wil je juist niet te lang wachten. Hoe eerder extra nutriënten op het perceel gebracht, des te langer heb je er in hetzelfde seizoen plezier van. Dat is de afweging die je moet maken.

Kans op onkruid?

Is er meer kans op onkruiden die meekomen vanuit de slootbodem? Om daar duidelijkheid over te krijgen hebben we een kiembak gemaakt met daarin een laag bagger. Deze bak wordt blootgesteld aan de lucht (met uitzondering van eerste week om onkruidzaden via de wind uit te sluiten) en vervolgens in de gaten gehouden om te zien of er wat gaat groeien. Nu, na 9 weken, kunnen we aangeven dat er nog niets is opgekomen. Dit lijkt dus het bewijs dat er geen onkruidzaden meekomen bij baggeren.

Vooral veel water opgebracht

Uit metingen blijkt dat er vooral veel water meekomt: gemiddeld is er tijdens de proef ruim 37 kuub water per ha opgebracht! Dus dit komt overeen met een hele grote regenbui. De combinatie met de kunstmestgift van 100 kg/ha die na het baggerspuiten is opgebracht, geeft in ieder geval een goede benutting. Daarnaast komen ook de extra mineralen uit de bagger mee; vooral stikstof, fosfaat en zwavel. De opgebrachte kunstmest en de bagger zijn uitgereden over etgroen na de eerste maaisnede. De melkkoeien zijn vervolgens ingeschaard ca. 1700 kg ds, 20 dagen na het baggerspuiten en 10 dagen na de kunstmestgift. Omdat het perceel in tweeën was gedeeld (ene helft met en andere helft zonder bagger), kan een vergelijking worden gemaakt.

Spuiten van bagger

Voorkeur voor bagger

Met het blote oog was goed zichtbaar dat de koeien eerst naar de ene kant van het perceel toeliepen om te grazen. Dit was het gedeelte met bagger en vervolgens de andere kant. Aan het eind van de dag waren beide helften opgevreten, maar de koeien hadden wel een duidelijke voorkeur. In de melkgift, gehaltes van de melk en het ureum was geen duidelijk verschil merkbaar tussen het perceel en de percelen de dagen ervoor en erna.

Vraag is nu: waarom vreten de koeien eerst het gebaggerde deel af en daarna het niet gebaggerde deel? Op deze vraag en op een goede vergelijking tussen opbrengst en kwaliteitscijfers hopen we u binnenkort een antwoord te kunnen geven.

Water bij de mest, hoeveel werkt dan het best?

Veel deelnemers aan Proeftuin Veenweiden weten dat water bij mest zorgt voor een betere benutting van de mest en hogere opbrengsten. Vooral bij het sleepslangen wordt verdunnen breed toegepast. Maar hoeveel water toevoegen is zinvol? Hoe meer hoe beter, of is er een optimum?

Het experiment

Om het effect van verschillende verdunningen van drijfmest op de benutting en grasopbrengst te onderzoeken, is een praktijkexperiment uitgezet op het pilotbedrijf van Jaap Schep. Want leren van ervaringen helpt bij het vinden van de beste maatregelen. In dit experiment is de drijfmest aangewend in drie verschillende verhoudingen tussen water en mest. De gebruikte verhoudingen zijn weergegeven in tabel 1.

Tabel 1 Water bij de mest, hoeveel werkt dan het best

Tabel 1

Metingen

Op het moment van oogsten is een monster genomen om de grasopbrengst en kwaliteit bij de verschillende mestaanwendingen te analyseren. Hierbij zijn onder andere de droge stof opbrengst, het VEM en Ruw eiwit gehalte van het gras bepaald. Dit is zowel bij de eerste als bij de tweede snede gedaan. De resultaten van de eerste snede zijn weergegeven in figuur 1a en 1b en die van de tweede snede in figuur 2a en 2b.

tabel 1 a-b Water bij de mest, hoeveel werkt dan het best?

Resultaten

1e snede

Zoals in figuur 1a duidelijk te zien is zorgt de het verdunnen van mest met 1 deel water op 2 delen mest (67/33) voor de hoogste opbrengsten van zowel droge stof als VEM en ook van eiwit. De gehaltes aan VEM en ruw eiwit per kg droge stof waren niet de hoogste zoals in figuur 1b is te zien. Maar door de hogere droge stof opbrengst ligt de totale opbrengst per ha dus wel het hoogste bij een verdunning van 2 delen mest op 1 deel water.

2e snede

Voor de tweede snede gelden eigenlijk dezelfde resultaten als voor de 1e snede. Ook hier zorgde een verhouding van twee derde mest en één derde water voor de hoogste opbrengsten. Al waren de gehaltes per kg droge stof van VEM en ruw eiwit wel het laagste bij deze verhouding.

Tabel 2 a en b Water bij de mest, hoeveel werkt dan het best

Conclusie

In dit experiment op bedrijfsniveau zorgde het verdunnen van de mest met een deel water op twee delen mest voor de beste resultaten. Bij deze verdunning was de droge stof, kVEM en ook de eiwit opbrengst het hoogst. Bij een hogere verdunning (1 op 1) en bij een lagere verdunning (1 op 3) waren de opbrengsten lager.

Dag en nacht beweiden voor lagere ammoniakemissie, werkt dat?

In Proeftuin Veenweiden experimenteren pilotbedrijven met maatregelen om ammoniakemissie te verlagen op hun bedrijf. Pilotboer Jaap Pronk heeft daarvoor het aantal beweidingsuren dit jaar verhoogd. Hij beweidt met meer dan 300 melkkoeien zelfs dag en nacht! Wat vraagt dat aan planning en levert het behalve minder ammoniakemissie nog meer op?

Vers gras monsters als uitgangspunt

Belangrijk is hoeveel vers gras de koeien vreten en wat de voederwaarde van het verse gras is. Om dat te bepalen zijn er begin juni vers gras monsters genomen van een aantal percelen die beweid zijn en beweid gaan worden. De resultaten staan in onderstaande tabel:

Hier valt vooral het relatief hoge RE ten opzichte van de VEM-waarde op. Vraag is nu of de gevoerde brok (in de melkstal en op stal) goed is afgestemd op het aangeboden weidegras. Een te hoog gehalte aan RE in het rantsoen leidt tot een lagere eiwitbenutting en meer NH3!

Maatwerk in krachtvoer

Om de juiste brok en hoeveelheid te bepalen is er overleg geweest met voeradviseur Bart Kistemaker. Ook zijn de laatste melkcontrolegegevens geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de nieuwmelkte koeien een lager ureum hadden dan de oudmelkte koeien en lager dan de gemiddelde uitslag. Dit wijst erop dat vooral de oudmelkte koeien een eiwitoverschot hadden en een energietekort. Voor Jaap en zijn voeradviseur het sein om de krachtvoergift (soort krachtvoer) aan te passen. Plan is nu om de oudmelkte koeien een maisbrok te gaan bijvoeren met minder eiwit en meer energie.

Binnenkort worden weer vers grasmonsters genomen om te bepalen of het rantsoen nog in balans is. Het monitoren van de waarde van vers gras is belangrijk voor het bepalen van een optimaal rantsoen met vers weidegras en krachtvoer. Als dat goed zit, levert dat een betere eiwitbenutting en minder ammoniakemissie op!

vers gras monsters in Proeftuin Veenweiden

Pilotboer Jaap Pronk in overleg met voeradviseur Bart Kistemaker

Kost mest verdunnen teveel geld?

In Proeftuin Veenweiden krijgen we regelmatig opmerkingen over de kosten van het verdunnen van drijfmest: ‘Jullie hebben het maar over het verdunnen van drijfmest, maar wat gaat dat allemaal wel niet kosten?!’ Als tegenhanger stellen we dan snel de vraag: ‘Wat gaat het extra opleveren, denk je?’ We nemen de proef op de som op het bedrijf van Wouter Beukeboom en daaruit blijkt dat er naast financieel ook andere voordelen zijn.

Meningen verdeeld in de praktijk

In de praktijk zien we het volgende:

  • Er zijn melkveehouders die al jarenlang de drijfmest maximaal verdunnen met de sleepslang en daar geen enkele concessie in willen doen. Ze begrijpen vaak niet waarom hun buren dat ook niet doen, omdat ze overduidelijk ervaren hoeveel meer gras het oplevert.
  • De meeste loonwerkers moedigen boeren niet aan om extra te verdunnen met water en wijzen vooral op de extra tijd en kosten die daarmee gemoeid zijn.

Leren van experimenteren

In de Proeftuin experimenteren we met het verdunnen van drijfmest. In een vorig nieuwsbericht zijn de resultaten genoemd voor wat betreft de 1e snede. Bij Wouter Beukeboom kwam de opbrengst bij een verdunning van 2,22 mest : 1 water duidelijk beter uit dan bij de normale verdunning (3,8 : 1). De loonwerker rekent bij Wouter € 220 per uur en voor beide stukken heeft hij exact bij gehouden hoeveel tijd het kost. Aan de hand daarvan zijn de kosten per ha berekend. In onderstaande tabel staan de verdunningen, de opbrengsten en de kosten van beide proefpercelen.

Tabel mestverdunningen, de opbrengsten en de kosten

Kosten versus baten

Het financiële voordeel is eenvoudig te berekenen: € 24 per ha. Terwijl perceel B beduidend kleiner is en daarmee minder efficiënt bemest kan worden. De extra opbrengsten kunnen we het beste berekenen aan de hand van de kg ruw eiwit per ha. Perceel B geeft 101 kg ruw eiwit meer op dan perceel C. De waarde van ruw eiwit is volgens de voederwaardeberekening ongeveer 50 cent per kg. 101 kg ruw eiwit komt dan op een waarde van € 50. Per saldo geeft extra verdunning in dit experiment een voordeel van € 26 per ha.

Overige voordelen

De verwachting is dat het verschil van verdunning in drogere en warmere tijden beduidend hoger ligt. Daarnaast is het voordeel van verdunning vóór beweiden dat het gras veel schoner en daarmee smakelijker is. Ook blijft er niets aan het blad hangen, zodat het bij een volgende maaisnede geen extra hoog ras-gehalte tot gevolg heeft.

Kortom, drijfmest verdunnen geeft veel voordelen die de hogere rekening van de loonwerker gemakkelijk lijken te compenseren.

Mest verdunnen bij pilotboer Wouter Beukeboom

Experiment voor het beste maaimoment

Melkveehouder Mattias Verhoef uit Brandwijk heeft de eerste snede inmiddels al weer even onder het plastic zitten. Als een van de 10 pilotboeren in de Proeftuin Veenweiden probeert hij met meer weidegang en een optimaal rantsoen de ammoniak uitstoot op zijn bedrijf met 25% te verminderen. Maar voor een optimaal rantsoen is de juiste kwaliteit kuilgras wel essentieel.

Experiment bij pilotboer Mattias Verhoef

Om meer zicht te krijgen op het juiste maaimoment is ook bij Mattias een experiment opgezet. Drie weken achter elkaar werden in zijn maaipercelen de opbrengst en gehalten gemeten van het verse gras. In onderstaande tabel staan de uitslagen van de analyses. In dit geval letten we vooral op de hoeveel eiwit in het gras en de vorm van dit eiwit.

Tabel: Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

DVE/OEB

Voor een maximale benutting van eiwit uit het gras moet het gras ook over de juiste vorm van eiwit beschikken. Hierbij moet de verhouding tussen de onbestendig eiwit balans (OEB) en darm verteerbaar eiwit (DVE) in balans zijn. Voor deze DVE : OEB verhouding geldt een optimum van 9 : 1 in het rantsoen. Met een lagere verhouding kan de pens niet optimaal werken doordat er teveel onbestendig eiwit is ten opzichte van energie. Dit kan niet allemaal worden benut en dat leidt tot stikstof verliezen en een hogere ammoniak uitstoot. Als de verhouding te hoog is (een tekort aan onbestendig eiwit t.o.v. energie) kan de pens het rantsoen niet goed omzetten en komt de melkproductie onder druk te staan.

Koude nachten en zonnige dagen

Zoals in de analyses is te zien, is de verhouding tussen DVE en OEB eind april 22,5 : 1. Dit komt omdat het gras traag gegroeid is door de kou, waardoor stikstof uit de bodem en de mest langzaam beschikbaar komt. Daarnaast is het suikergehalte in het gras erg hoog wat resulteert in een lagere OEB. Het hoge suikergehalte komt door een combinatie van zonnige dagen (veel suikervorming) en koude nachten (weinig suikeromzetting).

Pilotboer Verhoef, Brandwijk

Warme dagen, snelle grasgroei

Na 28 april wordt het snel warmer, het gras staat in de startblokken en schiet nu de grond uit. Doordat de stikstof uit mest en bodem in deze warme week goed beschikbaar komt voor de plant kan eiwit worden gevormd. Dit eiwit bestaat met name uit onbestendig eiwit, wat resulteert in een verhouding tussen DVE en OEB van 4,3 : 1! Duidelijk te laag dus.

Veel gras, weinig eiwit

Door de afname van het eiwitgehalte neemt ook het gehalte aan DVE en OEB af. Hierdoor komt de verhouding tussen DVE en OEB op 17,5 : 1. Nu niet meer vanwege een overmaat aan snelle energie maar vooral door een tekort aan onbestendig eiwit. De snelle grasgroei zorgt wel voor veel gras maar niet voor het beste gras voor wat betreft het eiwit.

Wanneer maaien?

Als we naar de verhouding tussen DVE en OEB kijken is het niet eenvoudig om het juiste maaimoment te bepalen. Terwijl we een eind april nog te veel snelle energie hebben, slaat dit een week later om naar een overmaat aan onbestendig eiwit. De snelle grasgroei vanaf dat moment zorgt binnen een week alweer voor een tekort aan eiwit in het gras voor een optimaal rantsoen.

De les:

Het mag duidelijk zijn dat het moment van maaien een ontzettend groot effect heeft op de kwaliteit van het gras dat wordt geoogst. Naarmate het rantsoen voor een groter deel uit (eigen) gras bestaat is het belang van de verhouding DVE/OEB belangrijker omdat dit minder door aangekocht ruwvoer (bijvoorbeeld snijmais) gecorrigeerd kan worden. Uit dit experiment blijkt dat de wisselende temperaturen het extra moeilijk maakten om op de DVE/OEB verhouding te sturen.

Hoe pakt deze verhouding voor uw graskuil uit?

Experiment mest verdunnen in het voorjaar

Bij twee pilotboeren, Jaap Schep en Wouter Beukeboom van Proeftuin Veenweiden zijn oriënterende experimenten gedaan met verschillende verdunningen van drijfmest in het voorjaar. Het doel was om het effect van mestverdunning te meten op grasopbrengst en grassamenstelling.

De les tot nu toe

Verdunnen bij het aanwenden van drijfmest in het voorjaar levert extra gras op, maar het vochtgehalte van de bodem in combinatie met (veel) neerslag vlak na aanwending kunnen het effect van verdunnen tenietdoen door afspoeling.

pilotbedrijf Schep: Mestverdunning en mest uitrijden

Bij Jaap Schep is 14 ha grasland, in 3 blokken verdeeld. Op elk blok is de drijfmest in verschillende mate gemengd met water. Op 13 maart is drijfmest uitgereden (ongeveer 30 kuub per ha) in 3 verschillende verdunningen:

  • 1 mest : 1 water
  • 2 mest : 1 water
  • 3 mest : 1 water

Op 28 april is de eerste snede geoogst en zijn er monsters genomen van het verse gras.
In onderstaande tabel de resultaten.

Tabel bedrijf Schep: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Tabel bedrijf Schep: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Wat zien we?

  • Hoogste droge stof opbrengst bij 2 mest en 1 water
  • Hoogste ruw eiwit opbrengst ook bij 2 mest en 1 water
  • Verdunning van 3 mest en 1 water blijft duidelijk achter voor wat betreft opbrengst in kg ds en ruw eiwit.

Soms gaat het mis…

Dat je ook te ver kunt gaan met verdunnen bleek duidelijk uit het experiment bij Wouter Beukeboom. Op 21 februari is op alle percelen al drijfmest aangewend. In het kader van de proef heeft ook Wouter 3 blokken van in totaal 15 ha met verschillende verdunningen bemest (zijn onderstaande tabel). In de twee dagen na 21 februari kwam er 18 en 15 mm regen naar beneden! Dat had afspoeling van de drijfmest tot gevolg, met name van de percelen met de hoogste verdunning. Dit is in onderstaande tabel duidelijk te zien.

Tabel bedrijf Beukeboom: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Tabel bedrijf Beukeboom: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Wat zien we?

  • Maximale verdunning geeft lagere opbrengst
  • Verdunning van 2,22 : 1 geeft hoogste opbrengst aan kg droge stof als ook aan totale kg ruw eiwit per ha.
  • Bij lage verdunning (3,8 : 1) is opbrengst duidelijk hoger, maar gehalte aan ruw eiwit blijft achter ten opzichte van hogere verdunningen.

Pilotboer Beukeboom - Mest uitrijden

Vervolg:

  • Voor de tweede snede wordt een zelfde experiment uitgevoerd om te zien welk effect het verdunnen van mest heeft verderop in het groeiseizoen.
  • Er wordt een nieuwsbericht voorbereid waarin we de kosten en baten van verdunnen tegen elkaar afwegen. Wat kost extra verdunnen van drijfmest en wat levert het op?

Wanneer maaien?

De eerste snede gras is de belangrijkste in de voederwinning. Het moet allemaal kloppen, want daarmee wordt de basis gelegd voor de wintervoorraad. De deelnemers aan de Proeftuin Veenweiden krijgen er nog een extra uitdaging bij: het verlagen van de NH3-emissie!

Een belangrijke bron van ammoniakemissie is een overdaad aan eiwit in het rantsoen. Door het rantsoen te optimaliseren wordt de emissie in de stal, maar ook bij de aanwending minder. Bedrijven met snijmaïs kunnen het rantsoen eenvoudiger bijsturen en daarmee optimaliseren. Echter, in de veenweiden krijgen de melkkoeien veel gras in het rantsoen. Daarmee wordt de graswinning cruciaal in de verlaging van de ammoniakemissie en dan met name het maaimoment.

Maaimoment

Wordt er te vroeg gemaaid, dan is de kans groot dat er een overmaat aan eiwit in het rantsoen komt, wat leidt tot een hogere NH3 – emissie. Als een bedrijf een forse hoeveelheid gras in het rantsoen heeft (> 30%) is het daarom aan te raden om later (= grover) te maaien, zodat de kuil meer ruwe celstof bevat en een mindere overmaat aan eiwit voor een evenwichtig rantsoen.

Experiment bij pilotboer Jan Christiaan Anker

Om meer zicht te krijgen op het juiste maaimoment is een oriënterend experiment opgezet bij Jan Christiaan Anker. Drie weken achter elkaar werden in zijn maaipercelen de opbrengst en gehalten gemeten van het verse gras. In onderstaande tabel staan de uitslagen van de analyses.

De voorjaarsbemesting bestond uit 35 kuub drijfmest en 60 kg N in de vorm van N-xt.

Tabel: Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

 Wat zien we?

  • Tot 20 april is het gras erg hard gegroeid, de week erna viel het behoorlijk stil door de lage temperaturen en de laatste week zette de groei weer sterk door. Bijzonder is wel dat het droge stof gehalte naar beneden schiet. Hiermee kun je je wel verkijken op een gewas.
  • Het gehalte aan ruweiwit heeft geen duidelijke lijn. Verwacht zou worden dat bij de sterke groei in de laatste week, het gehalte aan ruweiwit flink zou dalen. Dit blijkt niet het geval. Blijkbaar kwam de stikstof uit mest en bodem in deze warme week goed beschikbaar voor de plant, wat leidde tot extra eiwitvorming.
  • Het ruwe celstof gehalte heeft wel een consistente lijn omhoog, doordat er gaandeweg meer stengel wordt gevormd in verhouding tot bladeren. Dit is terug te zien in de VEM waardes die wekelijks afnamen.

Wanneer maaien?

Al met al heeft Jan Christiaan een fraaie kuil weten te maken, zij het enigszins geholpen door het weer. Hij was van plan om de 26e april te gaan maaien, maar stelde het vanwege het onstabiele weer een weekje uit. Daardoor kwam hij rond 3 mei uit en heeft daarmee nog ruim 1.000 kg ds gras per ha extra weten te oogsten met daarbij een hoger gehalte aan ruweiwit.

De vraag is nu of het beter zou zijn geweest om toch de 26e te gaan maaien? Wat zouden de consequenties daarvan zijn op het rantsoen, ammoniak, rendement, etc. We hebben met dit experiment handvatten om te kunnen rekenen.

En wat denkt u als u deze cijfers ziet? Hoe kijkt u terug op uw moment van maaien?

Mineralisatie op de kaart bij Bartlo Hoogendijk

Bartlo Hoogendijk, pilotboer in Proeftuin Veenweiden, wil een goed beeld hebben van de bodemmineralisatie bij verschillende percelen op zijn bedrijf. Door mineralisatie, afbraak van organische stof, komen stikstof en fosfaat beschikbaar voor het gras. Bartlo wil hier op inspelen bij bemesting van zijn land. Waar de mineralisatie hoog is, levert de bodem van nature veel stikstof en is dus minder mest nodig, is de gedachte. Daarom maken we met Bartlo een mineralisatiekaart van zijn bedrijf.

Mineralisatie op de kaart bij Bartlo HoogendijkMineralisatie, voer en ammoniakemissie

Proeftuin Veenweiden heeft als doel om ammoniakemissie te verlagen. Ammoniak vliegt de lucht in. Dus waarom houden we ons dan bezig met mineralisatie in de bodem? Op een melkveebedrijf hangen bodem, gras en voer, vee en mest sterk met elkaar samen. Ammoniakemissie neemt toe naarmate veevoer meer eiwit (RE) bevat. Het is dus belangrijk dat het RE gehalte in het voer niet te ver op loopt. Het streven bij Hoogendijk is om het RE gehalte in het totale rantsoen te beperken tot 155. Daarbij past een RE gehalte in graskuil van niet meer dan 160-170. Dit is hoger dan 155 maar andere componenten in het rantsoen, zoals maïs, kunnen dit compenseren. Op veenbedrijven is het RE gehalte in gras vaak hoog (hoger dan 180, vooral in de nazomer) door mineralisatie die voor een flinke ‘bemesting uit de bodem zorgt.’ Om een graskuil te winnen met RE 160 moet je weten waar de mineralisatie hoog is en waar de bemesting dus lager kan zijn.

Meten of weten?

Er wordt heel wat afgemeten in de bodem, ook in de Proeftuin. Bij Bartlo werken we juist met de kennis die al beschikbaar is. Op basis van inzichten van hemzelf en van de begeleiders hebben we een ‘verwachtingenkaart’ gemaakt van de mineralisatie op het bedrijf. Daarbij is eerst een indeling gemaakt in mineralisatieniveaus laag, gemiddeld en hoog. Om die kaart te maken, hebben we gekeken naar factoren die de mineralisatie beïnvloeden. Waar warmt de bodem het snelst op? Daar zal de mineralisatie hoger zijn dan op percelen waar de bodem langer nat blijft. Er zijn prima kaarten van de hoogteligging van percelen waar je in combinatie met het slootpeil al veel uit kunt halen. Waar is de pH hoog en waar laag? De mineralisatie gaat sneller bij hogere pH. Ook het organisch stofgehalte is van belang en het landgebruik in het verleden. Ooit heeft Hoogendijk op enkele percelen maïs geteeld. Dat heeft mogelijk nog invloed. Tenslotte zijn we nagegaan waar wel eens stikstof- en of fosfaatgebrek in het gras te zien is. Door die informatie te combineren, is in twee uur een beeld ontstaan.

Op de kaart en nu?

Bartlo wil experimenteren met variërende (lagere) kunstmestgiften in de 3e en 4e snede. Dat wordt dit jaar het belangrijkste experiment in de bedrijfsvoering. Volgend jaar kan hij de mineralisatiekaart ook gebruiken om in de eerste gift al verschillen te maken. Een mogelijkheid is ook om vee bij uitstek te gaan weiden op percelen met een hoge mineralisatie. Bij het weiden op deze percelen neemt het vee veel RE op en zal dus ook veel ammoniak in mest uitscheiden, maar doordat de mest in de wei valt leidt dat niet tot veel ammoniakemissie (waar poep en urine niet bij elkaar komen, blijft de emissie laag). Die optie is bij Hoogendijk echter niet praktisch omdat bij deze percelen het vee dan altijd over de weg moet.

Echt niets meten?

Meten heeft heus zin. Ook bij Hoogendijk. Het voorwerk maakt experimenteel werk efficiënt. We gaan dit jaar heel gericht vers grasmonsters nemen en volgend jaar met enkele veldjes meten wat het RE gehalte is zonder bemesting. Dat zou moeten kloppen met de verwachtingenkaart.

Meer weten?

Mail of bel naar Koos Verloop (koos.verloop@wur.nl of 0317- 480525) of naar Dick Jan Koster (dj.koster@ppp-agro.nl of 06-23058194)

Experiment: meerdere typen kunstmest met elkaar vergelijken

Alle kunstmestsoorten bestaan in de basis uit één of een mengsel van de volgende vormen van stikstof: nitraat, ammonium of ureum. Nitraat werkt het snelst, ureum het langzaamst. KAS bestaat voor de helft uit ammonium en voor de helft uit nitraat. Een veelgehoord argument van verkopers is extra grasopbrengst bij gebruik van vloeibare meststoffen. Vloeibaar wordt echter meestal met een loonwerkersmachine toegediend, die netjes en ‘vierkant’ kunnen werken. Dit alleen kan al een verklaring zijn voor de meeropbrengst van vloeibaar ten opzichte van korrels.