Verzilveren bovenwettelijke ammoniakreductie

Proeftuin Veenweiden werkt aan het fors reduceren van ammoniakemissie. Inzet is in elk geval een reductie van 25% tijdens de duur van het project bij de pilotboeren. Het voordeel voor de natuur is duidelijk: 25% minder emissie is ook 25% minder depositie. Maar wat is nu het voordeel voor de deelnemende melkveehouder?

Voldoen aan wettelijke verplichtingen

Melkveehouders kunnen in de eerste plaats hun ammoniakreductie inzetten om te voldoen aan toekomstige wettelijke verplichtingen, met name vanuit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Denk hierbij aan het uitrijden van met water verdunde mest als alternatief bij een verbod van de sleepvoet. Maar ook voermaatregelen die in de toekomst gaan vallen onder de PAS.
In de tweede plaats kan de ammoniakreductie gebruikt worden om te voldoen aan de eisen vanuit een NB-wetvergunning of een Omgevingsvergunning, al dan niet in het kader van bedrijfsuitbreiding.

Bovenwettelijke inspanningen

Alles wat melkveehouders nog meer doen is bovenwettelijk. Dat is mooi, maar levert dat ook nog wat op? De Proeftuin werkt aan mogelijkheden om bovenwettelijke inspanningen te verzilveren. Reductie van ammoniakemissie is namelijk ook interessant voor industrie/(lucht)havens, zuivelketens of waterschappen. Ook zij moeten hun emissies verminderen tegen veelal hoge kosten. Is er dan een deal mogelijk met de melkveehouderij? En hoe kunnen we dat verzilveren?

Maatwerk-pakketten ter verzilvering

De afgelopen tijd is gewerkt aan het in beeld brengen van de effecten en de kosten/baten van een groot aantal maatregelen. Die hebben we gebundeld tot samenhangende pakketten: een aantal ‘harde’ pakketten met fysieke maatregelen in de stal (met een ammoniakreductie van 15-20%) en een aantal ‘zachte’ managementpakketten (met een ammoniakreductie van 30-40%). De ‘harde’ pakketten vallen het duurst uit en de ‘zachte’ pakketten het goedkoopst en soms leveren ze zelfs geld op.

Sommige maatregelen hebben niet alleen een positief effect op ammoniakemissie maar dragen ook bij aan schoner (oppervlakte)water, minder bodemdaling, minder CO2 emissie, meer biodiversiteit en extra weidegang. Ook die aspecten zijn mogelijk interessant voor externe partijen en kunnen potentieel worden verzilverd. Daarom zijn er ook een aantal integrale pakketten samengesteld:

Pakket voor Wensen / doelen Pakketten
Industrie, (lucht)havens, wegverkeer Gegarandeerde langjarige reductie ammoniakemissie en CO2-uitstoot
  • Stal pakketten
  • Managementpakketten
Waterschappen Minder bodemdaling
Schoner oppervlaktewater
  • Integrale pakketten
  • Onderwaterdrainage
Zuivelketens Extra weidegang
  • Extra weidegang
Zuid-Hollandse Milieufederatie Emissiehandel via een stikstofbank
  • Werkbare pakketten voor “stikstofbank”

De komende tijd gaan we met een groot aantal partijen uit dit overzicht rond de tafel om te kijken welke mogelijkheden zij zien tot verzilvering. In volgende nieuwsberichten werken we steeds één maatwerkpakket verder uit en lichten we dat toe.

Borgen, monitoren en rapportage

Bovenwettelijke inspanningen verzilveren kan alleen via goede borging, monitoring en rapportage. De Proeftuin zou hiervoor graag hetzelfde systeem als voor de NB-wetvergunning gebruiken. Daarom gaan we binnenkort met de ontwikkelaars van Aerius om tafel, om aan te kunnen sluiten bij een bestaand wettelijk geborgd systeem dat degelijk in elkaar steekt.

Voor meer informatie of vragen

Mail naar:

21 juni: Demodag Ammoniak

Proeftuin Natura 2000 houdt op woensdag 21 juni een Demodag Ammoniak in Lemelerveld. Tijdens deze dag krijgen melkveehouders meer inzicht en praktische handvatten aangereikt voor het verminderen van ammoniakemissie op hun bedrijf.

Het deelproject Proef op de Som van Proeftuin Natura2000 organiseert deze Demodag om de activiteiten met haar deelnemers, afkomstig uit acht provincies, af te sluiten. De dag staat open voor iedereen die geïnteresseerd is.

Aanmelden kan via www.proeftuinnatura2000.nl.

Voor meer info zie:
www.ltonoord.nl

Goed melken met laag ruw eiwit in rantsoen

Sinds het begin van de winter heeft pilotboer Richard Korrel in goed overleg met zijn voeradviseur gewerkt aan verlaging van het ruw eiwit niveau in zijn rantsoen. Aan het einde van de winterperiode lag het gemiddelde in het melkveerantsoen op 149 gram ruw eiwit per kg droge stof. Voor de verse koeien werd dit nog aangevuld met brok in de voercomputer, maar de gemiddelde veestapel moest het hier mee doen. En de melkgift? Die bleek 28-29 kg melk per koe per dag met een eiwitgehalte van ca. 3,60%.

Ammoniakemissie beperken

Om de ammoniak emissie te beperken was één van de maatregelen op het pilotbedrijf van familie Korrel het verlagen van het ruw eiwit in het rantsoen. Voorwaarde was wel dat de melkproductie gelijk zou blijven. Naast het melkveerantsoen is ook kritisch gekeken naar het rantsoen van het jongvee en de droge koeien. Bij het jongvee is bewust gekozen voor kuilgras met een lager ruw eiwit gehalte. En voor de droge koeien: stro met brok! Dit kon prima omdat er toch ruwvoer aangekocht moest worden.

Graskuil van Pilotboer KorrelPrima melkproductie

Na een goede winter, zijn de koeien op 21 maart voor de ogen van heel Nederland naar buiten gegaan. Al vrij snel is de weidegang opgebouwd naar de hele dag weiden en met de snelle grasgroei in het vroege voorjaar werd een opname gerealiseerd van 7 kg droge stof per koe per dag uit weidegras (= het halve rantsoen!) En de koeien lieten meteen het resultaat zien: een melkproductie tot 33 kg per dier per dag met 3,60% eiwit in de melk.

Koeien de wei in bij Pilotboer Richard Korrel

Succesvolle maatregel

Al met al is de melkproductie in het afgelopen jaar hoger dan twee jaar geleden in dezelfde periode. En dat met beduidend minder eiwit in het rantsoen. Kortom: een tevreden melkveehouder èn een lagere ammoniakemissie!

Smalle weegbree multifunctioneel kruid

Kruiden in het grasland dragen bij aan een stabielere graslandproductie, mineralenvoorziening en diergezondheid. Daarnaast kan een kruid als smalle weegbree ook de ammoniak emissie van koeien verminderen, en heeft het mogelijk invloed op de nitrificatie van stikstof in de bodem. Dit voorjaar is een uitgebreid proefveld met smalle weegbree ingezaaid, waarin opbrengsten, voederwaarden en bodemstikstofgehalten worden bepaald.

Effect op bodem en nitraatvorming

Smalle weegbree multifunctioneel kruidKruiden zoals smalle weegbree produceren zogenoemde secundaire metabolieten. Dit zijn stofjes die bijvoorbeeld een remmende werking hebben op de omzetting van ammonium naar nitraat door bacteriën in de bodem, en op ammoniaproductie door bacteriën in de pens. Uit een eerste proef, waarin veengrond was overgebracht naar gecontroleerde omstandigheden in een kas, blijkt dat smalle weegbree in combinatie met Engels raaigras een net zo hoge droge stof en hogere eiwitopbrengst kan geven als alleen Engels raaigras. Na afloop van de 23 weken durende proef werd de potentiële omzetting van ammonium naar nitraat van de bodem bepaald en bleek dit met smalle weegbree bijna 40% lager dan met alleen Engels raaigras. Nitraat spoelt makkelijker uit dan ammonium; het kan dus betekenen dat smalle weegbree kan bijdragen aan het verminderen van nitraat uitspoeling.

Effect op eiwitvertering

Uit recent Nieuw-Zeelands onderzoek blijkt dat melkkoeien op een perceel gemengd met gras, klaver, cichorei en smalle weegbree, meer melkeiwit produceerden en minder stikstof via urine en mest uitscheidden. Ook hier speelden specifieke secundaire metabolieten in smalle weegbree een rol. Hoewel in deze proeven koeien een overmaat aan eiwit opnamen (wat met de grasrijke rantsoenen in Nieuw-Zeeland vaker het geval is), bieden deze onderzoeksresultaten ook zeker perspectief voor Nederlandse veenweide melkveehouders vanwege de relatief hoge eiwitgehalten van veenweide gras.

Meer weten?

Mail naar Jeroen Pijlman (j.pijlman@louisbolk.nl) of Nick van Eekeren (n.vaneekeren@louisbolk.nl)

Experiment voor het beste maaimoment

Melkveehouder Mattias Verhoef uit Brandwijk heeft de eerste snede inmiddels al weer even onder het plastic zitten. Als een van de 10 pilotboeren in de Proeftuin Veenweiden probeert hij met meer weidegang en een optimaal rantsoen de ammoniak uitstoot op zijn bedrijf met 25% te verminderen. Maar voor een optimaal rantsoen is de juiste kwaliteit kuilgras wel essentieel.

Experiment bij pilotboer Mattias Verhoef

Om meer zicht te krijgen op het juiste maaimoment is ook bij Mattias een experiment opgezet. Drie weken achter elkaar werden in zijn maaipercelen de opbrengst en gehalten gemeten van het verse gras. In onderstaande tabel staan de uitslagen van de analyses. In dit geval letten we vooral op de hoeveel eiwit in het gras en de vorm van dit eiwit.

Tabel: Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

DVE/OEB

Voor een maximale benutting van eiwit uit het gras moet het gras ook over de juiste vorm van eiwit beschikken. Hierbij moet de verhouding tussen de onbestendig eiwit balans (OEB) en darm verteerbaar eiwit (DVE) in balans zijn. Voor deze DVE : OEB verhouding geldt een optimum van 9 : 1 in het rantsoen. Met een lagere verhouding kan de pens niet optimaal werken doordat er teveel onbestendig eiwit is ten opzichte van energie. Dit kan niet allemaal worden benut en dat leidt tot stikstof verliezen en een hogere ammoniak uitstoot. Als de verhouding te hoog is (een tekort aan onbestendig eiwit t.o.v. energie) kan de pens het rantsoen niet goed omzetten en komt de melkproductie onder druk te staan.

Koude nachten en zonnige dagen

Zoals in de analyses is te zien, is de verhouding tussen DVE en OEB eind april 22,5 : 1. Dit komt omdat het gras traag gegroeid is door de kou, waardoor stikstof uit de bodem en de mest langzaam beschikbaar komt. Daarnaast is het suikergehalte in het gras erg hoog wat resulteert in een lagere OEB. Het hoge suikergehalte komt door een combinatie van zonnige dagen (veel suikervorming) en koude nachten (weinig suikeromzetting).

Pilotboer Verhoef, Brandwijk

Warme dagen, snelle grasgroei

Na 28 april wordt het snel warmer, het gras staat in de startblokken en schiet nu de grond uit. Doordat de stikstof uit mest en bodem in deze warme week goed beschikbaar komt voor de plant kan eiwit worden gevormd. Dit eiwit bestaat met name uit onbestendig eiwit, wat resulteert in een verhouding tussen DVE en OEB van 4,3 : 1! Duidelijk te laag dus.

Veel gras, weinig eiwit

Door de afname van het eiwitgehalte neemt ook het gehalte aan DVE en OEB af. Hierdoor komt de verhouding tussen DVE en OEB op 17,5 : 1. Nu niet meer vanwege een overmaat aan snelle energie maar vooral door een tekort aan onbestendig eiwit. De snelle grasgroei zorgt wel voor veel gras maar niet voor het beste gras voor wat betreft het eiwit.

Wanneer maaien?

Als we naar de verhouding tussen DVE en OEB kijken is het niet eenvoudig om het juiste maaimoment te bepalen. Terwijl we een eind april nog te veel snelle energie hebben, slaat dit een week later om naar een overmaat aan onbestendig eiwit. De snelle grasgroei vanaf dat moment zorgt binnen een week alweer voor een tekort aan eiwit in het gras voor een optimaal rantsoen.

De les:

Het mag duidelijk zijn dat het moment van maaien een ontzettend groot effect heeft op de kwaliteit van het gras dat wordt geoogst. Naarmate het rantsoen voor een groter deel uit (eigen) gras bestaat is het belang van de verhouding DVE/OEB belangrijker omdat dit minder door aangekocht ruwvoer (bijvoorbeeld snijmais) gecorrigeerd kan worden. Uit dit experiment blijkt dat de wisselende temperaturen het extra moeilijk maakten om op de DVE/OEB verhouding te sturen.

Hoe pakt deze verhouding voor uw graskuil uit?

Experiment mest verdunnen in het voorjaar

Bij twee pilotboeren, Jaap Schep en Wouter Beukeboom zijn oriënterende experimenten gedaan met verschillende verdunningen van drijfmest in het voorjaar. Het doel was om het effect van mestverdunning te meten op grasopbrengst en grassamenstelling.

De les tot nu toe

Verdunnen bij het aanwenden van drijfmest in het voorjaar levert extra gras op, maar het vochtgehalte van de bodem in combinatie met (veel) neerslag vlak na aanwending kunnen het effect van verdunnen tenietdoen door afspoeling.

pilotbedrijf Schep: Mestverdunning en mest uitrijden

Bij Jaap Schep is 14 ha grasland, in 3 blokken verdeeld. Op elk blok is de drijfmest in verschillende mate gemengd met water. Op 13 maart is drijfmest uitgereden (ongeveer 30 kuub per ha) in 3 verschillende verdunningen:

  • 1 mest : 1 water
  • 2 mest : 1 water
  • 3 mest : 1 water

Op 28 april is de eerste snede geoogst en zijn er monsters genomen van het verse gras.
In onderstaande tabel de resultaten.

Tabel bedrijf Schep: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Tabel bedrijf Schep: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Wat zien we?

  • Hoogste droge stof opbrengst bij 2 mest en 1 water
  • Hoogste ruw eiwit opbrengst ook bij 2 mest en 1 water
  • Verdunning van 3 mest en 1 water blijft duidelijk achter voor wat betreft opbrengst in kg ds en ruw eiwit.

Soms gaat het mis…

Dat je ook te ver kunt gaan met verdunnen bleek duidelijk uit het experiment bij Wouter Beukeboom. Op 21 februari is op alle percelen al drijfmest aangewend. In het kader van de proef heeft ook Wouter 3 blokken van in totaal 15 ha met verschillende verdunningen bemest (zijn onderstaande tabel). In de twee dagen na 21 februari kwam er 18 en 15 mm regen naar beneden! Dat had afspoeling van de drijfmest tot gevolg, met name van de percelen met de hoogste verdunning. Dit is in onderstaande tabel duidelijk te zien.

Tabel bedrijf Beukeboom: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Tabel bedrijf Beukeboom: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Wat zien we?

  • Maximale verdunning geeft lagere opbrengst
  • Verdunning van 2,22 : 1 geeft hoogste opbrengst aan kg droge stof als ook aan totale kg ruw eiwit per ha.
  • Bij lage verdunning (3,8 : 1) is opbrengst duidelijk hoger, maar gehalte aan ruw eiwit blijft achter ten opzichte van hogere verdunningen.

Pilotboer Beukeboom - Mest uitrijden

Vervolg:

  • Voor de tweede snede wordt een zelfde experiment uitgevoerd om te zien welk effect het verdunnen van mest heeft verderop in het groeiseizoen.
  • Er wordt een nieuwsbericht voorbereid waarin we de kosten en baten van verdunnen tegen elkaar afwegen. Wat kost extra verdunnen van drijfmest en wat levert het op?

Wanneer maaien?

De eerste snede gras is de belangrijkste in de voederwinning. Het moet allemaal kloppen, want daarmee wordt de basis gelegd voor de wintervoorraad. De deelnemers aan de Proeftuin Veenweiden krijgen er nog een extra uitdaging bij: het verlagen van de NH3-emissie!

Een belangrijke bron van ammoniakemissie is een overdaad aan eiwit in het rantsoen. Door het rantsoen te optimaliseren wordt de emissie in de stal, maar ook bij de aanwending minder. Bedrijven met snijmaïs kunnen het rantsoen eenvoudiger bijsturen en daarmee optimaliseren. Echter, in de veenweiden krijgen de melkkoeien veel gras in het rantsoen. Daarmee wordt de graswinning cruciaal in de verlaging van de ammoniakemissie en dan met name het maaimoment.

Maaimoment

Wordt er te vroeg gemaaid, dan is de kans groot dat er een overmaat aan eiwit in het rantsoen komt, wat leidt tot een hogere NH3 – emissie. Als een bedrijf een forse hoeveelheid gras in het rantsoen heeft (> 30%) is het daarom aan te raden om later (= grover) te maaien, zodat de kuil meer ruwe celstof bevat en een mindere overmaat aan eiwit voor een evenwichtig rantsoen.

Experiment bij pilotboer Jan Christiaan Anker

Om meer zicht te krijgen op het juiste maaimoment is een oriënterend experiment opgezet bij Jan Christiaan Anker. Drie weken achter elkaar werden in zijn maaipercelen de opbrengst en gehalten gemeten van het verse gras. In onderstaande tabel staan de uitslagen van de analyses.

De voorjaarsbemesting bestond uit 35 kuub drijfmest en 60 kg N in de vorm van N-xt.

Tabel: Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

 Wat zien we?

  • Tot 20 april is het gras erg hard gegroeid, de week erna viel het behoorlijk stil door de lage temperaturen en de laatste week zette de groei weer sterk door. Bijzonder is wel dat het droge stof gehalte naar beneden schiet. Hiermee kun je je wel verkijken op een gewas.
  • Het gehalte aan ruweiwit heeft geen duidelijke lijn. Verwacht zou worden dat bij de sterke groei in de laatste week, het gehalte aan ruweiwit flink zou dalen. Dit blijkt niet het geval. Blijkbaar kwam de stikstof uit mest en bodem in deze warme week goed beschikbaar voor de plant, wat leidde tot extra eiwitvorming.
  • Het ruwe celstof gehalte heeft wel een consistente lijn omhoog, doordat er gaandeweg meer stengel wordt gevormd in verhouding tot bladeren. Dit is terug te zien in de VEM waardes die wekelijks afnamen.

Wanneer maaien?

Al met al heeft Jan Christiaan een fraaie kuil weten te maken, zij het enigszins geholpen door het weer. Hij was van plan om de 26e april te gaan maaien, maar stelde het vanwege het onstabiele weer een weekje uit. Daardoor kwam hij rond 3 mei uit en heeft daarmee nog ruim 1.000 kg ds gras per ha extra weten te oogsten met daarbij een hoger gehalte aan ruweiwit.

De vraag is nu of het beter zou zijn geweest om toch de 26e te gaan maaien? Wat zouden de consequenties daarvan zijn op het rantsoen, ammoniak, rendement, etc. We hebben met dit experiment handvatten om te kunnen rekenen.

En wat denkt u als u deze cijfers ziet? Hoe kijkt u terug op uw moment van maaien?

Maatregelen met breed effect

In Proeftuin Veenweiden werken melkveehouders en adviseurs nauw samen aan de thema’s ammoniakemissie, waterkwaliteit, broeikasgasemissies en bodemdaling. Daarbij ligt de focus in eerste instantie op maatregelen om de ammoniakemissie te verminderen. Om vervolgens te onderzoeken welke effecten de maatregelen hebben voor de andere thema’s. En dan juist díe maatregelen te kiezen die ook nog een bijdrage leveren aan een of meer van de andere drie thema’s.

Maatregelen inventariseren en doorrekenen

We hebben diverse maatregelen geïnventariseerd en doorgerekend op effectiviteit qua reductie van de ammoniakemissie. Vervolgens is gekeken wat het effect is van de verschillende maatregelen op waterkwaliteit, bodemdaling en broeikasgasemissies. In tabel 1 zijn de effecten kwalitatief weergegeven. Een ‘+’ is dan een positief (wenselijk) effect en een ‘-‘ is een ongewenst effect. De doorgerekende maatregelen hebben sowieso allemaal een gunstig effect op de ammoniakemissie. Dat is ook de basis voor de keus van de maatregelen. Een aantal effecten en maatregelen wordt nader benoemd. Een eerste inschatting is dat verschillende managementmaatregelen ook economisch gunstig zijn, maar daarover een volgende keer meer informatie.

Wat weten we nu?

  • Geen negatief effect voor bodemdaling
    De effecten op de bodemdaling zijn niet in de tabel weergegeven. Geen van de maatregelen heeft een negatief effect op bodemdaling. Maar één maatregel is uitermate gunstig met het oog op bodemdaling.
  • Onderwaterdrainage: over de hele linie positief
    En dat is onderwaterdrainage: 50-75% minder bodemdaling en eenzelfde vermindering van emissies van broeikasgassen. Oorzaak: minder veenoxidatie door hogere grondwaterstanden in de zomer. Onderwaterdrainage is zelfs over de hele linie positief: er is er sprake van iets minder ammoniakemissie en ook een lager stikstofoverschot in de bodem. Het oorzakelijk verband heeft te maken met verbetering van de efficiëntie. Er is minder kunstmest nodig, de kwaliteit van het gras verbetert, de krachtvoergift kan dalen en de koeien kunnen langer weiden.
  • Verdund uitrijden van mest erg perspectiefvol
    Door meer dan 1/3 water t.o.v. mest toe te voegen bij de bemesting met drijfmest, daalt de ammoniakemissie. Hierdoor komt meer stikstof voor de plant beschikbaar en blijft bij droogte de vochtvoorziening beter op peil. Hierdoor is meer gewas te oogsten en kan zelfs op kunstmest bespaard worden. Dit is ook gunstig voor de waterkwaliteit en leidt tot minder energiegebruik (en dus minder broeikasgasemissies). Maar bij bedrijven die mais voeren, leidt deze maatregel tot minder mais bijvoeren. Dit kan juist leiden tot meer methaanemissie en dus een mogelijke stijging van de broeikasgasemissies.
  • Weidegang heeft ook aandachtspunten
    Ook meer weidegang leidt tot minder ammoniakemissie. Maar weidegang leidt veelal wel tot een hoger stikstofoverschot. En daarmee ontstaat een risico voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. De broeikasgasemissie kan stijgen doordat meer lachgas (een sterk broeikasgas) kan ontstaan bij weidegang. s. Aan de andere kant kan weidegang leiden tot vervanging van graskuil door weidegras en/of door maiskuil. Hierdoor kan de methaanemissie (ook een broeikasgas) gaan dalen. Daardoor zou de totale broeikasgasemissie weer kunnen dalen. Dit laatste is eerder aan de orde bij intensievere bedrijven dan bij extensieve bedrijven.

Tabel 1: Effect van verschillende maatregelen op de daling van de ammoniakemissie, daling van het stikstofbodemoverschot (als indicator voor de oppervlaktewaterkwaliteit) en de daling van de broeikasgasemissies. ‘+’ is een positief effect; ‘0’ betekent geen effect; ‘-‘ betekent een negatief effect; ‘+/-‘ betekent dat het effect in sommige gevallen positief uit kan pakken en in andere gevallen juist licht negatief.

Effect maatregelen op daling ammoniakemissie, stikstofbodemoverschot en broeikasgasemissies

1 het betreft alleen een kwalitatieve inschatting op het effect, hierin zijn geen kosten meegenomen

Meer weten?

Neem contact op met Michel de Haan (michel.dehaan@wur.nl) of Leo Joosten (joosten@org-id.org)

Mest-app in ontwikkeling

Bij drogende weersomstandigheden neemt de ammoniakemissie bij het uitrijden van mest toe. Denk hierbij aan een hogere windsnelheid, een hogere luchttemperatuur, meer zonnestraling of een lagere relatieve luchtvochtigheid. Kun je door rekening te houden met de weersomstandigheden de ammoniakemissie verminderen? Proeftuin Veenweiden ontwikkelt op dit moment een app waarmee melkveehouders/loonwerkers vaker onder ‘niet drogende omstandigheden’ de mest uitrijden. Want dat zorgt voor minder ammoniakemissies!

Anticiperen op het weer om emissiearm mest uit te rijden

De app geeft deelnemende boeren in het veenweide gebied een zeer globale inschatting van de te verwachten emissies bij het mest uitrijden. De app is een eenvoudige variant op het huidige wetenschappelijke ALFAM model. Daarin zijn namelijk slechts twee parameters meegenomen: windsnelheid & temperatuur. Daarnaast is het met het ALFAM emissiemodel niet mogelijk om nauwkeurig te voorspellen wat de emissie is op een specifiek moment van de dag. Onder andere omdat het model geen rekening houdt met veranderende weersomstandigheden na het moment van uitrijden.

emissie arm mest uitrijden schema

De gemiddelde omstandigheden zijn 15.2 C en 3.4 m/s.

Via de app zijn ook de mestgiftmomenten vast te leggen. Met deze data kan Wageningen University & Research achteraf – via een geavanceerder model dat eind 2017 beschikbaar komt – werken aan een betere voorspelling van de emissies tijdens het mest uitrijden. Dit onderzoek zal de basis vormen voor een verbeterde versie van de app in 2018.

We nemen grasmonsters!

De afgelopen weken zijn volop vers-gras-monsters genomen voor de experimenten bij de pilotboeren. Dit moest gebeuren voor de proeven met de verschillende verdunning van drijfmest, de keuze van het maaimoment en het gebruik van verschillende soorten kunstmest. Hiervoor is zowel een opbrengstmeting nodig (kg ds / ha) als een analyse (VEM, re).

Met een houten frame van 0,5 bij 0,5 meter, een knipschaar, emmer en plastic zakken zijn de grasmonsters genomen. Per proefveld knippen we op 4 plaatsen. Het houten frame gooien we daarvoor willekeurig ergens in het land om niet te sturen op welke plaats we meten.

De eerste metingen waren voor Jan Christiaan Anker:

  • 20 april: opbrengst 3.700 kg ds / ha met 209 ruw eiwit
  • 26 april: opbrengst 3.900 kg ds / ha met 192 ruw eiwit

De week erna heeft hij werkelijk gemaaid; dat monster is nog onderweg.

Metingen

Jan Christiaan - grasopbrenst

Jan Christiaan, maaimoment Grasopbrengst 20/4: 3.700 kg ds per ha