Succesvolle benutting van eiwitrijk ‘soja’ gras

Wat doe je als melkveehouder, als het eiwit in het herfstgras recordhoogtes bereikt? Om te beginnen niet in paniek raken. Ten tweede de koeien zoveel mogelijk buiten houden. En ten derde compensatie zoeken voor het rantsoen. In Proeftuin Veenweiden meten we het effect van dit 3-stappenplan aan de hand van vers-grasmonsters.

Proef met dag en nacht weiden

Pilotveehouder Jaap Pronk in Broek in Waterland heeft de afgelopen zomer dag en nacht geweid met zijn koppel van ruim 300 melkkoeien. De melkkoeien vreten dan vers weidegras aangevuld met kuilgras en brok wat ze tijdens de melktijden kunnen vreten op stal. Op deze manier weet hij zijn gras goed te benutten en houdt hij het ureum op een fatsoenlijk peil.

Vers-grasmonsters

Het is bekend dat op veengrond in de herfst het eiwitgehalte van het gras fors hoger kan worden. Dit wordt veroorzaakt door mineralisatie van de veenbodem, waardoor er mineralen in de bodem vrijkomen en door het gras worden opgenomen. Om te zien hoe dit proces dit najaar op zijn bedrijf verloopt, heeft Jaap vanaf half juli vers-grasmonsters genomen van het gras dat de koeien tot hun beschikking kregen ( zie tabel).

Vers-grasmonsters bij Jaap Pronk

Wat te doen bij hoog eiwit in herfstgras?

Het ruweiwit gehalte neemt vanaf juli gestaag toe, met een record op 6 september van 303 gram ruweiwit! Het betreft een perceel etgroen dat 2 weken daarvóór gemaaid is en licht bemest met 5 kuub drijfmest. Wat te doen?

  1. Geen paniek, dit gebeurt elk jaar en de koeien vallen niet zomaar om.
  2. De koeien zoveel mogelijk buiten houden (ijs en weder dienende …), want buiten wordt er nauwelijks ammoniak gevormd zolang de urine en mest niet bij elkaar komen.
  3. Een rantsoen samenstellen waarin dit stevige najaarsgras wordt gecompenseerd door componenten die minder eiwit bevatten.

Het is Jaap alle drie gelukt:

  1. Jaap raakt niet zomaar in paniek …
  2. Alleen met melken komen de koeien binnen. Wel zijn de koeien ’s avonds op een ander perceel gejaagd met minder ruweiwit.
  3. Er lag nog een juni/juli-kuil uit 2016 die wel een beetje pit kon gebruiken.

Het ureumgehalte in de melk kwam niet boven de 25. Met zulk ‘soja-gras’ is dat een hele prestatie!

Maak meer werk van hooien!

Melkveehouders zijn allemaal gecharmeerd van hooi. Het is geen discussie dat hooi wat toevoegt aan het rantsoen voor de dieren. Goed hooi is smakelijk, suikerrijk en bevat bestendig eiwit. De VEM kan oplopen tot boven de 900. Daarnaast is er nog hooi van natuurgebieden. Uiteraard zit daar minder voedingswaarde in, maar des te meer kruiden en andere positieve elementen voor de gezondheid van de koe.

Meer dan 40 ton hooi

Proeftuin Veenweiden deelnemer Mattias Verhoef heeft rond de 100 melkkoeien en 46 ha grasland, waarvan een kleine 7 ha natuurland is. In 2017 wist hij in totaal meer dan 40 ton hooi te maken, waarvan bijna de helft van zijn reguliere grasland. De grootste helft komt van natuurgebieden. Alles bij elkaar heeft Mattias een prachtige tas met hooi staan, met een grote diversiteit aan kwaliteit. In onderstaande tabel staan de verschillende partijen op een rij.

Tabel: Hooiwinning 2017 Mattias Verhoef

Tabel: Hooiwinning 2017 Mattias Verhoef

Wat zijn de gehaltes van het hooi?

Het hooi gemaakt van de eerste en tweede snede, is met een VEM waarde van 937 en 887 en een mooi eiwit gehalte van zeer goede kwaliteit. Met een DVE gehalte van 79 en 77 vormt dit gras ook een goede eiwitbron. Kwalitatief goed gras laat zich wel slechter drogen, dit is te zien aan de veldperiode van zes en zeven dagen en het zeven maal schudden.

Het hooi van het natuurland en het perceel met uitgestelde maaidatum heeft een veel lagere VEM waarde. Dit gras is pas laat gemaaid waardoor het al aan het verhouten was, hierdoor is het minder verteerbaar wat het lage VEM gehalte verklaart. Gras dat verhout is, droogt wel sneller wat ook duidelijk te zien is in de veldperiode en het aantal keer schudden. Doordat het uitgestelde maaidatum land en het natuurland minder, of zelfs helemaal niet bemest wordt zijn de eiwitgehaltes van dit hooi ook veel lager, namelijk rond de 10%.

Wat is de waarde van hooi in het rantsoen?

Het hooi van de eerste en tweede snede vormt fantastisch voer voor het melkvee. Het maken van hooi heeft als voordeel dat het eiwit bestendiger wordt, wat duidelijk te zien is in de hoge DVE waarden van het gras. Een melkkoe heeft zo’n 15-16% ruweiwit in het rantsoen nodig waarvan 8-9% DVE. Dit hooi voldoet daaraan en zal met de hoge suikergehaltes ook erg smakelijk gevonden worden door de koeien. Doordat het droog is zal het ook rustiger verteerbaar zijn. Het hooi is uitstekend geschikt als bijvoeding in het weideseizoen, met name in het najaar wanneer het gras buiten slapper wordt en er minder suikers in zitten. Op dat moment hebben de koeien behoefte aan een voedermiddel dat rust brengt, smakelijk is en voldoende DVE bevat. Dit hooi heeft dat allemaal.

Natuurhooi voor melkkoeien?

Het natuurhooi is met de lage VEM waardes op het eerste gezicht niet geschikt voor melkvee, maar toch zijn er situaties waarin je als melkveehouder blij bent dat je over dit ruwvoer kunt beschikken. Het natuurhooi kan in combinatie met een ‘te’ snelle graskuil of weidegras van hoge kwaliteit (bijvoorbeeld in het voorjaar) goed in een rantsoen passen om wat te remmen. Ook lijkt het geschikt voer voor droge koeien of/en jongvee van minstens een jaar oud. Beide groepen hebben zo’n 13 a 14% ruweiwit in het rantsoen nodig. Door het natuurhooi te mengen met bijvoorbeeld herfstgras ontstaat een goed rantsoen met voldoende structuur, eiwit en energie. Zo kan voer van mindere kwaliteit (herfstgras + natuurhooi) juist gebruikt worden om het vee te voeren naar behoefte.

Moraal van het verhaal

Nederlandse boeren moeten kiener zijn om hooi te winnen. Juist extensieve bedrijven moeten hun best doen om het juiste voer van hun eigen land te winnen dat past in het rantsoen, omdat zij minder kunnen corrigeren met de aankoop van voer van buiten het bedrijf. Als je wilt, kun je een mooie partij hooi winnen, niet alleen van natuurland, maar juist ook van je gewone land. Het vraagt geduld en kost wat meer werk, maar dan heb je ook wat!

Gras in bloei? Eerst goed kijken, dan pas maaien!

Tot nu toe is het jaar 2017 een geweldig grasjaar. Met name de afgelopen weken is het gras weer explosief gegroeid en ook het geoogste gras kenmerkt zich door een goede kwaliteit. Toch hadden we ook een (korte) droge periode, waardoor het gras in de stress schoot en meer nog dan normaal ging bloeien. Gras in bloei zet boeren op het verkeerde been! Dat bewees het experiment in Proeftuin Veenweiden.

Doorschietend gras

Vanaf eind mei heeft gras van nature de drang om te gaan bloeien. Gras dat bloeit, stopt zijn energie niet meer in de groei van blad en stengel maar in het zaad, waardoor er geen nieuw blad meer wordt gevormd. Het reeds gevormde blad en stengel wordt wel ouder, waardoor de verteerbaarheid en ook de smakelijkheid van het gewas afneemt. Daarom is ook de reflex van elke boer dat, zodra het gras doorschiet, de maaier erin gaat om verder kwaliteitsverlies te voorkomen.

Droogte

Het warme zonnige weer en de weinige regen in mei en juni zorgde voor een neerslagtekort. Dit vochttekort in de bodem was er de oorzaak van dat mineralen uit de mest en de bodem slechter beschikbaar kwamen voor het gras. Dit veroorzaakte stress voor het gras, waardoor het eerder ging bloeien en in het zaad schoot.

Grasmonsters

Om het effect van het bloeien op de graskwaliteit en – opbrengst te meten, zijn op het bedrijf van pilotboer Mattias Verhoef grasmonsters genomen in de periode waarin het gras ging bloeien. De resultaten hiervan zijn weergegeven in onderstaande tabel.

grasmonsters bij pilotboer Verhoef

Resultaten

Opvallend is de toename van het VEM gehalte en de verteerbaarheid (VCOS) van het gras. We zouden verwachten dat met het verouderen van het gras en de toename van de grasopbrengst de verteerbaarheid en daarmee ook de energiewaarde juist zou afnemen. Hoe is dit verschil te verklaren?

‘Ondergras’

Hoewel een gedeelte van het gras begin juni al in bloei staat, is er blijkbaar veel “ondergras” dat niet in bloei geschoten is. Door te wachten met maaien, kan dit ‘ondergras’ verder groeien, wat de opbrengst ten goede komt. Dit ‘ondergras’ is nog goed verteerbaar doordat het nog niet bloeit en veel bladmateriaal vormt. Wanneer het aandeel ‘ondergras’ vrij groot is, neemt de totale verteerbaarheid en daarmee ook de energiewaarde van het gewas toe.

Grasgroei Pilotboer Verhoef

Goed kijken!

Als het gras in bloei schiet, kijk dan eerst goed hoeveel gras er daadwerkelijk begint te bloeien en hoeveel jong gras er tussen staat met groeipotentie. Bij veel ‘ondergras’ is het verstandig te wachten met maaien, ook al staat een gedeelte van het gras al in bloei. Een wekelijkse farmwalk om daadwerkelijk te zien hoe het gras er bij staat, blijkt ook onmisbaar om het goede maaimoment te bepalen.

Ruw eiwit en bemesting

Met de toename van de totale opbrengst komt het eiwitgehalte van het gras duidelijk onder druk te staan. Dat komt in dit experiment ook duidelijk naar voren. Het is daarom van belang om te bemesten in lijn met het gewenste eiwitgehalte en de verwachte droge stof opbrengst.

Leidt het beluchten van mest tot ammoniakreductie?

Jaco Kastelein, één van de 10 pilotbedrijven in de Proeftuin Veenweiden, oriënteert zich in zijn jacht op ammoniakreductie op het mixen van drijfmest middels een beluchtingssysteem. Zelf heeft hij het systeem nog niet aangeschaft, maar hij is er dusdanig van gecharmeerd dat hij het naadje van de kous wil weten.

Hoe werkt het beluchten?

Het beluchtingssysteem werkt door de luchtbellen van onderuit in de put door de mest heen te laten borrelen en de mest zo regelmatig te mengen (zie Figuur). Korstvorming zoals die in een mestput zonder lucht mengen ontstaat, wordt zo vermeden.

Mestput

Tegenstrijdige resultaten

Op Dairy Campus in Leeuwarden is onderzocht of het toevoegen van zuurstof de omzettingsprocessen in de mestkelder beïnvloedt. In een verkennend onderzoek hebben de eerste metingen in een mestput met een beluchtingssysteem tot ieders verrassing tot een reductie van ammoniakemissie in de stal geleid (Van Dooren et al., 2015). Om te achterhalen of het inderdaad om een solide reductie van ammoniakemissie gaat en om de rol van mengen met lucht verder te onderzoeken, wordt dit onderzoek in 2017 herhaald. In het experiment wordt het Smart Slurry Aeration System van DSD-stalinrichting toegepast. Recent hebben Calvet et al. (2017) geen reductie van ammoniakemissie gevonden bij het beluchten van mest. In eerder onderzoek was gevonden dat het beluchten van mest ook een reductie geeft van zwavelwaterstof (H2S-gas) (Scully et al., 2007). Kortom, het laatste woord is hier nog niet over gezegd.

Beluchten van de mest

Het systeem van het beluchten van mest is overgenomen vanuit de waterzuivering. Daar wordt deze techniek ingezet om stikstofverbindingen te reduceren tot stikstofgas (N2). Waar voor waterzuiveringsslib duidelijke resultaten zijn bereikt, is dat voor drijfmest nog niet het geval. De uitdaging om de processen in de mestput duidelijk te krijgen is ook groter, want de samenstelling van mest is complex en wisselend, mede afhankelijk van de rantsoensamenstelling en het management. Ook is het droge stof gehalte van de mest hoger.

In de mestput ontstaan er drie zones:

  • Drijflaag: In de bovenste laag komen de lichtere deeltjes zoals stro en plantmateriaal boven drijven en dragen bij aan korstvorming. De drijflaag droogt uit naarmate de mest langer in de put blijft en er vormt zich een korst.
  • Middenlaag: Dit is de anaerobe zone met de vloeibare mest.
  • Onderlaag: Dit is de laag waarin de zwaardere deeltjes en zand zich ophopen.

Mestkorst en urine

Tijdens de opslagperiode in de mestput, raakt de zuurstof in de mest op door microbiële activiteit. De korst functioneert daarbij als barrière voor de zuurstofuitwisseling met de omgeving. De verse urine die door de roosters valt, blijft in eerste instantie op de korst liggen. Of deze urine op de korst de ammoniakemissie vanuit de mestopslag veroorzaakt, wordt op dit moment op Dairy Campus nader onderzocht.

Milieuvoordelen mest beluchten

Door de mest te beluchten, wordt de mest gedeeltelijk aeroob en kan daardoor de processen in de mest beïnvloeden. In de literatuur worden voordelen benoemd zoals :

  • beperking van verliezen van nutriënten uit de mest ;
  • reductie van emissies (broeikasgas) en geurhinder;
  • een stabiel eindproduct en verbeterde opname van de nutriënten door de plant.

De ingewikkelde en veelzijdige processen die tijdens het beluchten plaatsvinden, wordt verder onderzocht op de Dairy Campus. Ook wordt gekeken naar de emissies en hoe deze door diverse factoren worden beïnvloed.

Mestputten met en zonder beluchting

Samen met Jaco Kastelein hebben we op basis van gedetailleerd literatuuronderzoek, gekeken hoe we het beluchten van mest en de daaruit resulterende milieuvoordelen voor de Proeftuin kunnen onderzoeken. In de verkennende fase worden mestmonsters genomen bij een bedrijf dat mestputten met en zonder beluchting heeft. Verder willen we onderzoeken wat de ervaringen zijn van bedrijven die al langere tijd met mestbeluchting werken, om zicht te krijgen op factoren die de processen in de mest beïnvloeden. Hiervoor zoeken we samenwerking met WUR voor een mogelijk studentenproject.

Referenties:

  • Dooren, van H., Bokma, S. en Zonderland J., 2015 Effect van het Aeromix systeem op ammoniakemissie in een melkveestal , Verkennend onderzoek op Dairy Campus, Livestock Research Report 850
  • Scully,. H. , Frost, J., Gilkinson, S.; Lenehan J., 2007 research into hydrogen sulphide gas (H2S) emissions from stored slurry which has undergone Low rate aeration, Report for: Health and Safety Executive for Northern Ireland, Health and Safety Authority, Ireland available online: http://www.ameramslurry.com/pdf/Aeration-Trial-Summary.pdf
  • Calvet, S., J. Hunt, T.H. Misselbrook (2017) Low frequency aeration of pig slurry affects slurry characteristics and emissions of greenhouse gases and ammonia. Bio systems Engineering 159 (2017) 121-132. https://doi.org/10.1016j.biosystemseng.2017.04.011

Kunstmestgift die past bij hoeveelheid mineralisatie

Proeftuin Veenweiden pilotbedrijf Bartlo Hoogendijk wil graag gras winnen met 160 ruweiwit (RE). Om dat te realiseren, moet hij wat bedenken voor het najaar, want dan komt er een flinke stoot aan extra stikstof vrij door de mineralisatie van de veengrond en die verschilt nogal per perceel. In dit eerste experiment van de proef wil hij uitzoeken wat de kunstmestgift moet zijn voor de percelen met een lage mineralisatie.

Mineralisatie in kaart

Voor het experiment heeft Bartlo op een kaart aangegeven wat de verwachte mineralisatie per perceel zal zijn. Hiervoor is gekeken naar factoren die de mineralisatie beïnvloeden: Waar warmt de bodem het snelst op? Waar is de pH hoog en waar laag? Is er wel eens stikstof- en of fosfaatgebrek in het gras te zien geweest? Hoe hoog is het gehalte aan organische stof? Aan de hand van deze kennis uit de praktijk is onderstaande kaart samengesteld. Rechts de percelen waar een hoge mineralisatie te verwachten is en links de percelen met minder mineralisatie. Op basis van de resultaten gaat hij straks kijken of deze aannames kloppen en wat de consequentie is voor de kunstmestgift.

Kaart: Percelen met de verwachte mate van mineralisatie

Kaart: Percelen met de verwachte mate van mineralisatie

Experimenteren met kunstmestgift

In het experiment varieert hij voorafgaand aan de derde snede met de kunstmestgift. Uit de kaart blijkt dat er op de percelen 14 en 15 een lagere mineralisatie wordt verwacht. Als dat het geval is, zal het verschil in kunstmestgift duidelijk te zien zijn aan de grasopbrengst, omdat deze niet wordt gecompenseerd door een overweldigende hoeveelheid stikstof uit mineralisatie. Beide percelen zijn vóór het experiment twee keer gemaaid en de bemesting is voor de percelen gelijk geweest (25 kuub rundveedrijfmest voor de 1e snede, 490 kg KAS voor de 1e en 2e snede). Voor de derde snede zijn de percelen in 3 stukken verdeeld, waarbij onderscheid is gemaakt in de kunstmestgift (0, 80 en 160 kg N in de vorm van KAS).

Op 30 juli, vlak vóór de oogst van de derde snede is er een vers gras monster genomen en is de opbrengst per ha bepaald (kg droge stof per ha). In onderstaande tabel staat de kwantiteit (kg droge stof) en kwaliteit (VEM en ruw eiwit) van de grasmonsters weergegeven.

Tabel: Vers gras monsters 3e snede bij verschillende N-gift (KAS)

Vers gras monsters 3e snede bij verschillende N-gift (KAS)

Wat zien we?

Uit de resultaten blijkt dat er zonder KAS een lagere opbrengst is in droge stof en een lager RE-gehalte. Het verschil tussen een bemesting met 80 of 160 kg KAS is nihil voor RE-gehalte, terwijl er wel een flink verschil is in ds-opbrengst.

Een voorlopige conclusie is, dat op percelen met een lagere verwachte mineralisatie een hogere gift aan kunstmest (160 kg KAS) nodig is voor een vergelijkbare opbrengst en een RE-gehalte dat niet onder het niveau van 160 gram terecht komt.

Voor het vervolg wordt er ook gekeken naar de percelen met een hogere verwachte mineralisatie. Hier zou de bemesting in de 2e helft van het jaar lager kunnen zijn.

 

Waarom wordt het gras groen na het spuiten van bagger?

Dat het gras mooi groen wordt en smakelijk is na het spuiten van bagger over een perceel, is al langer bekend bij veehouders. De vraag hoe dit komt en wat de mineralenbenutting eigenlijk is, blijft echter nog grotendeels onbeantwoord. Reden voor Richard Korrel, deelnemer Proeftuin Veenweiden, om eens wat experimenten te doen tijdens het spuiten van bagger.

Kwaliteit van de bagger

Eind mei heeft Korrel tijdens het bagger spuiten een aantal emmers neergezet, om te kijken wat er nu eigenlijk gemiddeld op een perceel wordt gebracht. Zowel de hoeveelheid opgebrachte bagger, als de kwaliteit ervan is interessant om te weten. Daarnaast is ook de benutting van belang: wat is de uiteindelijke opbrengst?

Pilotboer Richard Korrel heeft tijdens het bagger spuiten een aantal emmers neergezet

Tijdstip van spuiten

Het begint echter met het tijdstip: wanneer kun je het beste bagger spuiten? Vanuit het oogpunt van behoud van flora en fauna wil je niet te snel beginnen. In het voorjaar gebeurt er in dat opzicht veel in de sloot; het bruist van nieuw leven en activiteit rond die tijd. Vanuit het oogpunt van een efficiënte benutting van mineralen wil je juist niet te lang wachten. Hoe eerder extra nutriënten op het perceel gebracht, des te langer heb je er in hetzelfde seizoen plezier van. Dat is de afweging die je moet maken.

Kans op onkruid?

Is er meer kans op onkruiden die meekomen vanuit de slootbodem? Om daar duidelijkheid over te krijgen hebben we een kiembak gemaakt met daarin een laag bagger. Deze bak wordt blootgesteld aan de lucht (met uitzondering van eerste week om onkruidzaden via de wind uit te sluiten) en vervolgens in de gaten gehouden om te zien of er wat gaat groeien. Nu, na 9 weken, kunnen we aangeven dat er nog niets is opgekomen. Dit lijkt dus het bewijs dat er geen onkruidzaden meekomen bij baggeren.

Vooral veel water opgebracht

Uit metingen blijkt dat er vooral veel water meekomt: gemiddeld is er tijdens de proef ruim 37 kuub water per ha opgebracht! Dus dit komt overeen met een hele grote regenbui. De combinatie met de kunstmestgift van 100 kg/ha die na het baggerspuiten is opgebracht, geeft in ieder geval een goede benutting. Daarnaast komen ook de extra mineralen uit de bagger mee; vooral stikstof, fosfaat en zwavel. De opgebrachte kunstmest en de bagger zijn uitgereden over etgroen na de eerste maaisnede. De melkkoeien zijn vervolgens ingeschaard ca. 1700 kg ds, 20 dagen na het baggerspuiten en 10 dagen na de kunstmestgift. Omdat het perceel in tweeën was gedeeld (ene helft met en andere helft zonder bagger), kan een vergelijking worden gemaakt.

Spuiten van bagger

Voorkeur voor bagger

Met het blote oog was goed zichtbaar dat de koeien eerst naar de ene kant van het perceel toeliepen om te grazen. Dit was het gedeelte met bagger en vervolgens de andere kant. Aan het eind van de dag waren beide helften opgevreten, maar de koeien hadden wel een duidelijke voorkeur. In de melkgift, gehaltes van de melk en het ureum was geen duidelijk verschil merkbaar tussen het perceel en de percelen de dagen ervoor en erna.

Vraag is nu: waarom vreten de koeien eerst het gebaggerde deel af en daarna het niet gebaggerde deel? Op deze vraag en op een goede vergelijking tussen opbrengst en kwaliteitscijfers hopen we u binnenkort een antwoord te kunnen geven.

Water bij de mest, hoeveel werkt dan het best?

Veel deelnemers aan Proeftuin Veenweiden weten dat water bij mest zorgt voor een betere benutting van de mest en hogere opbrengsten. Vooral bij het sleepslangen wordt verdunnen breed toegepast. Maar hoeveel water toevoegen is zinvol? Hoe meer hoe beter, of is er een optimum?

Het experiment

Om het effect van verschillende verdunningen van drijfmest op de benutting en grasopbrengst te onderzoeken, is een praktijkexperiment uitgezet op het pilotbedrijf van Jaap Schep. Want leren van ervaringen helpt bij het vinden van de beste maatregelen. In dit experiment is de drijfmest aangewend in drie verschillende verhoudingen tussen water en mest. De gebruikte verhoudingen zijn weergegeven in tabel 1.

Tabel 1 Water bij de mest, hoeveel werkt dan het best

Tabel 1

Metingen

Op het moment van oogsten is een monster genomen om de grasopbrengst en kwaliteit bij de verschillende mestaanwendingen te analyseren. Hierbij zijn onder andere de droge stof opbrengst, het VEM en Ruw eiwit gehalte van het gras bepaald. Dit is zowel bij de eerste als bij de tweede snede gedaan. De resultaten van de eerste snede zijn weergegeven in figuur 1a en 1b en die van de tweede snede in figuur 2a en 2b.

tabel 1 a-b Water bij de mest, hoeveel werkt dan het best?

Resultaten

1e snede

Zoals in figuur 1a duidelijk te zien is zorgt de het verdunnen van mest met 1 deel water op 2 delen mest (67/33) voor de hoogste opbrengsten van zowel droge stof als VEM en ook van eiwit. De gehaltes aan VEM en ruw eiwit per kg droge stof waren niet de hoogste zoals in figuur 1b is te zien. Maar door de hogere droge stof opbrengst ligt de totale opbrengst per ha dus wel het hoogste bij een verdunning van 2 delen mest op 1 deel water.

2e snede

Voor de tweede snede gelden eigenlijk dezelfde resultaten als voor de 1e snede. Ook hier zorgde een verhouding van twee derde mest en één derde water voor de hoogste opbrengsten. Al waren de gehaltes per kg droge stof van VEM en ruw eiwit wel het laagste bij deze verhouding.

Tabel 2 a en b Water bij de mest, hoeveel werkt dan het best

Conclusie

In dit experiment op bedrijfsniveau zorgde het verdunnen van de mest met een deel water op twee delen mest voor de beste resultaten. Bij deze verdunning was de droge stof, kVEM en ook de eiwit opbrengst het hoogst. Bij een hogere verdunning (1 op 1) en bij een lagere verdunning (1 op 3) waren de opbrengsten lager.

Dag en nacht beweiden voor lagere ammoniakemissie, werkt dat?

In Proeftuin Veenweiden experimenteren pilotbedrijven met maatregelen om ammoniakemissie te verlagen op hun bedrijf. Pilotboer Jaap Pronk heeft daarvoor het aantal beweidingsuren dit jaar verhoogd. Hij beweidt met meer dan 300 melkkoeien zelfs dag en nacht! Wat vraagt dat aan planning en levert het behalve minder ammoniakemissie nog meer op?

Vers gras monsters als uitgangspunt

Belangrijk is hoeveel vers gras de koeien vreten en wat de voederwaarde van het verse gras is. Om dat te bepalen zijn er begin juni vers gras monsters genomen van een aantal percelen die beweid zijn en beweid gaan worden. De resultaten staan in onderstaande tabel:

Hier valt vooral het relatief hoge RE ten opzichte van de VEM-waarde op. Vraag is nu of de gevoerde brok (in de melkstal en op stal) goed is afgestemd op het aangeboden weidegras. Een te hoog gehalte aan RE in het rantsoen leidt tot een lagere eiwitbenutting en meer NH3!

Maatwerk in krachtvoer

Om de juiste brok en hoeveelheid te bepalen is er overleg geweest met voeradviseur Bart Kistemaker. Ook zijn de laatste melkcontrolegegevens geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de nieuwmelkte koeien een lager ureum hadden dan de oudmelkte koeien en lager dan de gemiddelde uitslag. Dit wijst erop dat vooral de oudmelkte koeien een eiwitoverschot hadden en een energietekort. Voor Jaap en zijn voeradviseur het sein om de krachtvoergift (soort krachtvoer) aan te passen. Plan is nu om de oudmelkte koeien een maisbrok te gaan bijvoeren met minder eiwit en meer energie.

Binnenkort worden weer vers grasmonsters genomen om te bepalen of het rantsoen nog in balans is. Het monitoren van de waarde van vers gras is belangrijk voor het bepalen van een optimaal rantsoen met vers weidegras en krachtvoer. Als dat goed zit, levert dat een betere eiwitbenutting en minder ammoniakemissie op!

vers gras monsters in Proeftuin Veenweiden

Pilotboer Jaap Pronk in overleg met voeradviseur Bart Kistemaker

Kost mest verdunnen teveel geld?

In Proeftuin Veenweiden krijgen we regelmatig opmerkingen over de kosten van het verdunnen van drijfmest: ‘Jullie hebben het maar over het verdunnen van drijfmest, maar wat gaat dat allemaal wel niet kosten?!’ Als tegenhanger stellen we dan snel de vraag: ‘Wat gaat het extra opleveren, denk je?’ We nemen de proef op de som op het bedrijf van Wouter Beukeboom en daaruit blijkt dat er naast financieel ook andere voordelen zijn.

Meningen verdeeld in de praktijk

In de praktijk zien we het volgende:

  • Er zijn melkveehouders die al jarenlang de drijfmest maximaal verdunnen met de sleepslang en daar geen enkele concessie in willen doen. Ze begrijpen vaak niet waarom hun buren dat ook niet doen, omdat ze overduidelijk ervaren hoeveel meer gras het oplevert.
  • De meeste loonwerkers moedigen boeren niet aan om extra te verdunnen met water en wijzen vooral op de extra tijd en kosten die daarmee gemoeid zijn.

Leren van experimenteren

In de Proeftuin experimenteren we met het verdunnen van drijfmest. In een vorig nieuwsbericht zijn de resultaten genoemd voor wat betreft de 1e snede. Bij Wouter Beukeboom kwam de opbrengst bij een verdunning van 2,22 mest : 1 water duidelijk beter uit dan bij de normale verdunning (3,8 : 1). De loonwerker rekent bij Wouter € 220 per uur en voor beide stukken heeft hij exact bij gehouden hoeveel tijd het kost. Aan de hand daarvan zijn de kosten per ha berekend. In onderstaande tabel staan de verdunningen, de opbrengsten en de kosten van beide proefpercelen.

Tabel mestverdunningen, de opbrengsten en de kosten

Kosten versus baten

Het financiële voordeel is eenvoudig te berekenen: € 24 per ha. Terwijl perceel B beduidend kleiner is en daarmee minder efficiënt bemest kan worden. De extra opbrengsten kunnen we het beste berekenen aan de hand van de kg ruw eiwit per ha. Perceel B geeft 101 kg ruw eiwit meer op dan perceel C. De waarde van ruw eiwit is volgens de voederwaardeberekening ongeveer 50 cent per kg. 101 kg ruw eiwit komt dan op een waarde van € 50. Per saldo geeft extra verdunning in dit experiment een voordeel van € 26 per ha.

Overige voordelen

De verwachting is dat het verschil van verdunning in drogere en warmere tijden beduidend hoger ligt. Daarnaast is het voordeel van verdunning vóór beweiden dat het gras veel schoner en daarmee smakelijker is. Ook blijft er niets aan het blad hangen, zodat het bij een volgende maaisnede geen extra hoog ras-gehalte tot gevolg heeft.

Kortom, drijfmest verdunnen geeft veel voordelen die de hogere rekening van de loonwerker gemakkelijk lijken te compenseren.

Mest verdunnen bij pilotboer Wouter Beukeboom

Groen licht voor uitrijden van drijfmest in het voorjaar?

Koplopers in Proeftuin Veenweiden testen in de praktijk hoe een scherpe timing van het aanwenden van drijfmest, de ammoniakverliezen op hun bedrijf beperkt. Dat betekent uitrijden bij optimale weersomstandigheden. Dus bij bewolkt, iets regenachtig weer met weinig wind. Het ‘stoplichtsysteem’ van de proeftuin maakt melkveehouders attent op het beste mestmoment.

Groen licht in het voorjaar

Het stoplichtsysteem vertelt de veehouders wanneer het weer gunstig (groen), gemiddeld (oranje) of ongunstig (rood) is voor mestaanwending. Deze duidelijke signalen hebben al effect gehad: veel pilotboeren hebben na het maaien gewacht op oranje, of liever nog groen, voordat ze gingen bemesten voor de volgende snede. Het valt op dat het ‘ammoniaklicht’ in het voorjaar veel vaker op groen staat. Het lijkt dan ook logisch om de aanwending van drijfmest meer naar het voorjaar te schuiven. De kunstmest kan in dat geval eventueel later gegeven worden.

Goed aanwenden heeft effect

Bij drijfmestaanwending treedt vervluchtiging van ammoniak op. De hoeveelheid hangt af van de aanwendingstechniek en van het weer. In de Proeftuin wordt geëxperimenteerd met verdunnen van mest met water, maar we proberen ook het moment van aanwenden zoveel mogelijk te sturen naar gunstig weer. Dat betekent niet te warm en geen zonnig, ‘scherp drogend’ weer. Uit ervaring blijkt dat het in het voorjaar vaker gunstig is voor mestaanwending dan in de zomer. De temperatuur is dan natuurlijk wat lager.

Kies je beste mestmoment

De pilotboeren onderzoeken of het voordelen biedt om de aanwending van drijfmest meer naar het voorjaar te schuiven en die van kunstmest wat later te plannen. Dat houdt de jaargift van stikstof in principe ongeveer gelijk, maar beperkt de ammoniakemissie. Men kan er zelfs voor kiezen om in de loop van het jaar wat kunstmest in de zak te houden. Bij deze strategie moet wel rekening worden gehouden met andere aspecten. Omdat er eerder wordt gestopt met mestaanwending en de putten in de zomer dus niet meer leeg raken, zal er wellicht meer mestopslag nodig zijn. Bovendien heeft te vroeg bemesten mogelijk extra uitspoeling tot gevolg. Het risico op extra uitspoeling kan beperkt blijven door in de eerste snede gedeelde giften te geven (dus niet alles in een keer uitrijden). Kortom, het gaat om bedrijfsmatig optimaliseren en zo goed mogelijk inspelen op het weer.

Ter voorbereiding op volgend jaar worden verkennende berekeningen uitgevoerd met doorkijk naar een praktijkexperiment bij de pilotboeren.