Blog: Omdat het moet én kan!

‘Op grond van morgen’ is de titel van een wellicht wat opmerkelijke campagne die momenteel in West-Nederland loopt. Van verschillende mensen in mijn omgeving heb ik hierop in de afgelopen weken reacties ontvangen, omdat LTO-Noord regio West een van de initiatiefnemers is.

PERSBERICHT: Urgentie ammoniakreductie voor melkveehouderij Westelijke Veenweiden

Partijen roepen boeren en adviseurs op niet te wachten tot 2030

Zaterdag 17 maart a.s. start in West-Nederland de campagne www.opGrondvanMorgen.nl om aandacht te vestigen op de noodzaak en mogelijkheden van 25% ammoniakreductie in de melkveehouderij. Allereerst vestigen de initiatiefnemers LTO Noord regio West, PPP-Agro Advies en Veenweiden Innovatiecentrum (VIC) de aandacht op reductie via het voerspoor. Als melkveehouders in Nederland niet in staat zijn een stevige ammoniakreductie van 25% te realiseren, moet er weer fors gesneden worden in het aantal melkkoeien.

LTO Noord regio West, PPP-Agro Advies en Veenweiden Innovatiecentrum (VIC) trekken aan de bel vanuit hun verantwoordelijkheid en verbondenheid met de sector. Ze voeren de komende 4 weken de campagne www.opGrondvanMorgen.nl om aandacht te vestigen op de noodzaak en mogelijkheden van 25% ammoniakreductie. De pilotboeren van Proeftuin Veenweiden, waarbinnen de initiatiefnemers gezamenlijk optreden, weten na 1,5 jaar al een reductie van gemiddeld 19% te realiseren. Onderzoek van onder andere Wageningen Universiteit & Research en het Louis Bolk Instituut laat zien dat de mest- en voermaatregelen gericht op ammoniakreductie een daling van 25% haalbaar maakt en tevens tot betere bedrijfsresultaten leidt.


Campagnetekst week 1:
“Van een onverteerbaar advies wordt je bedrijf niet beter”
Van 15% ruw eiwit in het rantsoen wél!


Door middel van de campagnewebsite www.opGrondvanMorgen.nl, aandacht in de agrarische bladen, filmmateriaal waarin pilotboeren uit de Proeftuin Veenweiden hun ervaringen delen en berichten op sociale media willen de initiatiefnemers de melkveehouders en het zakelijke netwerk daaromheen prikkelen om hiermee aan de slag te gaan. Concreet gaat het in de campagne om een aantal succesvolle maatregelen die navolging verdienen, zoals verdund uitrijden van mest op het juiste moment, zorgen voor een rantsoen met 15% ruweiwit en het toepassen van onderwaterdrainage. Uiteraard naast andere maatregelen die boeren kunnen toepassen op hun bedrijf, zoals minder jongvee en minder of geen gebruik van kunstmest.

Sinds 2015 kon de melkveehouderij fors groeien dankzij het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Tot bijna 1.8 miljoen melkkoeien. Als tegenprestatie voor die ontvangen ontwikkelruimte heeft de sector beloofd om 10 miljoen kg ammoniakemissie te reduceren ten opzichte van het jaar 2013. Dat doel moet in 2030 bereikt worden en duurt dus nog even, maar mede door de forse groei van de melkveehouderij is dat doel eerder verder af dan dichterbij gekomen. In juli 2017 greep de overheid via de noodgreep van de fosfaatregeling in en nam het aantal melkkoeien met zo’n 90.000 af. Een nieuwe ronde hangt boven het hoofd wanneer de sector de afgesproken reductie niet nakomt.

De urgentie voor ammoniakreductie speelt in heel Nederland. Een rantsoen van een bedrijf in de veenweiden bevat veel gras met veelal hoge ruw eiwitgehalten. Deze bedrijven hebben te maken met een hoger stikstofoverschot en dat betekent ook meer kans op ammoniakemissie. Vandaar dat ammoniakemissie een relatief grotere uitdaging vormt in grasrijke gebieden zoals de Westelijke Veenweiden dan in gebieden waar ook mais geteeld kan worden.

Stuur met bemesting op lager ruweiwit in rantsoen

Wat voor ruweiwit (RE) in gras heb ik nodig op mijn bedrijf en hoe kan ik daarin zo goed mogelijk voorzien met het perceeleigen stikstof leverend vermogen van de bodem (NLV) en de stikstofbenutting van de mest?

Die vraag legde adviseur Wim Honkoop van PPP-Agro Advies voor aan de pilotboeren van Proeftuin Veenweiden tijdens de masterclass Bemesting bij pilotboer Arno Plomp in Wilnis. Volgens de adviseur horen bij deze vragen twee belangrijke aandachtspunten:

  • Maak een landbouwkundig bemestingsplan.
  • Hoe houd ik DVE in het gras bij lagere RE-gehalten?

In het veenweidengebied zijn het vooral de extensieve bedrijven die op grond zitten die veel eiwit levert. Honkoop: „Dat leidt ertoe dat we in dit gebied een eiwitoverschot hebben. In de discussie om de ammoniakuitstoot te verlagen moeten we toe naar minder RE in het rantsoen, maar wel met dezelfde DVE in het product.”

Sturen met krachtvoer, passend ruwvoer oogsten

Pilotboeren binnen de Proeftuin streven naar een RE van 150-160 in het rantsoen, afhankelijk van het aandeel gras. Die doelstelling is na twee jaar op de meeste bedrijven niet bereikt, bleek tijdens de masterclass. Volgens Honkoop kunnen boeren hierop sturen met krachtvoer, maar is er ook veel winst te behalen in het juiste moment van bemesten en oogsten om passend ruwvoer te winnen. „We kunnen in de bemesting vooral sturen op kunstmest voor een optimaal ruweiwit. Als je een lager RE in het kuilgras wilt hebben, moet je minder kunstmest gaan strooien. De vraag is: krijg je dan wel voldoende DVE het product?”

Honkoop raadde de boeren aan een bemestingsplan te maken met de categorieën weiden, maaien, hoog NLV en laag NLV. Maak een onderscheid tussen maai- en weidepercelen, zei hij. Maaipercelen kunnen met 25-35 kuub drijfmest per hectare toe, op weidepercelen ligt dat op 15-25 kuub, afhankelijk van de fosfaatbehoefte. „We adviseren voor de voorjaarsbemesting een derde deel water bij de mest te doen, dat verhoogt de benutting met minimaal 10 procent. Heb je veel spoelwater in de mestput, ga dan uit van een verdunning met een vierde deel water. De kunstmestgift wordt vervolgens aangepast aan het ruweiwitniveau waarop je wilt uitkomen.”

Volgens de adviseur kan voor een goede bemesting, afgestemd op het gewenste RE-niveau, worden teruggekeken naar de uitgevoerde bemesting en kuilmonsters van de afgelopen drie jaar. Op basis daarvan kan de bemesting worden opgevoerd of teruggedraaid. „Als je wilt zakken in ruweiwit in de kuil, kun je een hogere NLV-klasse pakken dan je gewend bent; een hogere NLV-klasse adviseert een lagere bemesting.” Hij verwacht dat het voorjaar van 2018 dusdanig nat is, dat de beschikbaarheid van mineralen een stuk lager ligt dan in het voorjaar van 2017. „De mineralen zijn eerder vervluchtigd. Als je nu evenveel stikstof geeft als vorig jaar, kom je lager uit. Houd daar rekening mee.”

Hoe krijg je DVE met lager ruweiwit?

De uitdaging voor de veenweideboeren wordt om met een lager ruweiwit in het rantsoen het DVE-gehalte op peil te houden. Honkoop gaf daarvoor de volgende tips:

  • Droger inkuilen (voorjaarskuil 45-50 procent droge stof).
  • Optimale afstemming kuilen/balen/partijen op behoefte van diergroepen, met name ouder jongvee en droge koeien en oudmelkse dieren.
  • Totale in- en uitkuilproces zo optimaal mogelijk maken, zodat de benutting van het (lagere) eiwit verbetert.
  • Toevoegmiddelen kunnen helpen, maar niet per se.
  • In het voorjaar en 3e en 4e snede niet te jong oogsten, jong gras heeft ongunstigere DVE/OEB-verhouding. Sneden met stengel juist wel wat jonger oogsten.

Reductie ammoniakuitstoot hard nodig om veestapel te behouden

Deelnemers van Proeftuin Veenweiden steken hun nek uit om het gestelde doel van 25 procent vermindering van de ammoniakuitstoot te behalen. Dat stelt adviseur Barend Meerkerk van PPP-Agro Advies. „De ammoniakwetgeving wordt mogelijk nog lastiger dan de fosfaatwetgeving. De reductie is hard nodig om onze veestapel te behouden.”

Sinds 2015 kon de melkveehouderij fors groeien dankzij de PAS, tot bijna 1,8 miljoen melkkoeien. Als tegenprestatie voor die al ontvangen ontwikkelruimte heeft de landbouwsector beloofd om 10 miljoen kg ammoniakemissie gereduceerd te hebben ten opzichte van het jaar 2013. Dat doel moet in 2030 worden bereikt.

We staan voor grote opgave

Dat duurt nog even, zegt Meerkerk, maar mede door de forse groei van de melkveehouderij is dat doel eerder verderaf dan dichterbij gekomen. „In juli 2017 greep de overheid weliswaar in via de noodgreep van de fosfaatregeling en nam het aantal melkkoeien met ruwweg 90.000 af, maar dat aantal is nog ruim onvoldoende om de resterende reductieopgave van de Duurzame Zuivelketen weg te werken. Die opgave vraagt om nogmaals 290.000 melkkoeien minder.”

Het is dus duidelijk dat boeren met ammoniak aan de slag moeten. Welke maatregelen kunnen zij nemen? Meerkerk: „Dat kan door aanpassingen in het rantsoen (minder eiwit), weidegang, emissiearme stallen en het uitrijden van verdunde mest. We merken binnen Proeftuin Veenweiden dat weidegang en het uitrijden van verdunde mest goed bij de boeren tussen de oren zit, maar dat in het rantsoen nog een hoop winst te halen is. Uit een enquête onder de honderd deelnemers van de Proeftuin is gebleken dat het eiwitgehalte in het rantsoen nauwelijks daalt. Hier ligt een grote uitdaging.”

‘Het is 5 voor 12!’

Boeren kunnen op eiwit in het gras sturen door het toepassen van de juiste bemestingsstrategie en het kiezen van het juiste maaimoment. Bij bemesten is het voor de samenstelling van het gras belangrijk hoe, hoeveel, wanneer en met welk soort er wordt bemest, zegt de adviseur. „Verder moeten we met de mengvoerfabrikanten op zoek naar (kracht)voeders die goed passen bij het grasrijke rantsoen in de veenweiden. Hier ligt nog een flinke kans. Die moeten we pakken, wat ons betreft is het 5 voor 12.”

Binnen Proeftuin Veenweiden wordt gestreefd naar een ruweiwit van 160 in het rantsoen. De pilotboeren gaan samen met de eigen voeradviseur en de loonwerker een plan voor 2018 maken, vertelt Meerkerk. „We moeten met elkaar het verschil maken. We moeten er met zijn allen voor gaan, er zijn wat ons betreft al meer dan genoeg koeien gedwongen afgevoerd!”

Bemestende waarde van stikstof uit bagger beperkt

Gebruik van bagger gaf nauwelijks tot geen extra gewasopbrengst. Dat is één van de belangrijkste conclusies uit een oriënterend onderzoek op KTC Zegveld waarbij bagger op verschillende momenten in het voorjaar en zomer werd toegediend op grasland.

Bemestende waarde

In 2016 werd op KTC Zegveld een oriënterend onderzoek uitgevoerd, waarbij bagger op vier verschillende tijdstippen werd toegediend op grasland. Dat was voor de 1e snede-begin april, na de 1e snede-half mei, na de 2e snede-half juni en zomer-half augustus. De bemestende waarde van de stikstof in bagger werd vergeleken met die van runderdrijfmest, kunstmest en een combinatie van drijfmest en kunstmest. Per tijdstip werd de gewasopbrengst gemeten van twee sneden na aanwenden.

Resultaat van bagger nihil

Uit de resultaten bleek dat het gehalte aan totale stikstof (kg/ton) van de bagger ca. 40% lager is dan van runderdrijfmest. Daarnaast bestaat de totale stikstof in bagger praktisch volledig uit organisch gebonden stikstof. Bagger had op alle vier de tijdstippen nauwelijks tot geen opbrengstverhogend effect ten opzichte van geen bemesting en ook praktisch geen effect op het RE-gehalte van het gras. Dit resulteerde in een stikstofbenutting die varieerde van 0-5%. Ter vergelijking, de stikstofbenutting van de drijfmest en de kunstmest op de veengrond varieerden resp. van 0-24% en van 25-64%.

Slootvegetatie

Aanvullend werd in 2017 oriënterend naar het effect van de verschillende tijdstippen van baggeren op de slootvegetatie gekeken. Hiertoe werden enkele slootvakken op verschillende tijdstippen gebaggerd, vergelijkbaar met het onderzoek naar bemestende waarde. Aan het eind van het seizoen (half september) kon geen duidelijk effect van het baggertijdstip op de vegetatie in het midden van de sloot worden geconstateerd, wat betreft aantal plantensoorten en bedekking per plantensoort.

Onderhoud van sloten

In de praktijk worden sloten gebaggerd om te zorgen dat ze het water goed kunnen doorvoeren. Daarnaast is gebleken dat baggeren een groot positief effect heeft op de waterkwaliteit.

Aanleiding onderzoek

Het baggeren vindt vooral plaats de zomer, omdat de Flora en Faunawet aangeeft dat er tussen 15 maart en 1 juni niet gebaggerd mag worden. De stikstof uit de ‘zomerbagger’ komt mogelijk te laat vrij om nog voldoende door het gras benut te kunnen worden. Vandaar dat er behoefte was aan meer inzicht in de bemestende waarde van slootbagger bij verschillende momenten van toedienen.


Klik hier voor het rapport met de resultaten van het onderzoek.

Neem voor meer informatie contact op met Herman Schooten herman.vanschooten@wur.nl of Michel de Haan michel.dehaan@wur.nl

Ideale graskuil? Denk vanuit de koe!

Hoe krijg ik een ideale graskuil? Die vraag stond centraal tijdens de studiegroepbijeenkomst van de Proeftuin Veenweiden bij Jan Nieuwenhuizen in Zevenhoven. De grasteelt is de moeilijkste teelt die we hebben, vanwege de vele beslismomenten, stelde ruwvoerspecialist Piet Riemersma van Van Iperen. ‘Een boer doet er goed aan een plan te maken voor de kwaliteit en hoeveelheid droge stof.’

Voordat Piet Riemersma het woord kreeg, wilde adviseur Teus Verhoeff van de boeren weten welke boodschap zij aan de Nederlandse media zouden willen meegeven. Daar kwamen hele interessante reacties op. Marcel van Rijn uit Woubrugge stelde dat Nederlandse veehouders goed voor hun dieren en grond zorgen, maar dat het vuur hen wel eens aan de schenen wordt gelegd. Wim Habben Jansen uit Alphen aan de Rijn denkt dat wanneer de consument meer geld aan gezond voedsel van gezonde dieren besteedt, er minder geld voor medicijnen nodig is. Volgens gastheer Jan Nieuwenhuizen is er veel meer product van het land te halen. Voer op het bordje van Piet Riemersma.

Pilotboer Jaco Kastelein uit De Meije gaf eerst een korte toelichting op zijn KringloopWijzer 2017. Volgens Kastelein was 2017 een lastig kringloopjaar, vooral vanwege het hoge ruweiwit in zijn kuil. ‘Qua saldo zijn we er in 2017 op vooruitgegaan, maar wat stikstof betreft zijn we achteruitgeboerd. We hebben 150-200 kuub meer mest moeten afvoeren, waardoor we ook nog eens ons bedrijf op het gebied van fosfaat verschralen. Dat moet in 2018 beter!’

Gezond voer, gezonde koe

Piet Riemersma ging vervolgens met de boeren aan de slag met de ideale graskuil. Hij adviseerde daarbij altijd vanuit de koe te denken. Volgens de adviseur is de bodem de basis voor gezond voer en een gezonde koe. ‘Er zijn wat mij betreft 3 uitdagingen: de droge stof opbrengst per hectare moet omhoog, het omzetten van voer in melk moet efficiënter en de koe moet gezond produceren. Maak van tevoren een goed plan hoe je dat wilt doen. De boer is een bacteriemanager: de bodem èn de pens zitten vol bacteriën. Hij moet er nu al over nadenken welke eigenschappen het gras straks moet hebben en daar zijn bemestingsstrategie op afstemmen.’

Belangrijk bij het bepalen van het teeltdoel is voldoende eiwit in gras. ‘Gras is de mooiste eiwitbron op de boerderij’, vindt Riemersma. Maar hoe krijg je meer en beter eiwit in gras? Door een betere verdeling van drijfmest, mogelijk meer stikstof te geven en op het juiste moment te maaien, gaf de specialist als tips. ‘Ik ga u niet vertellen hoeveel drijfmest u per hectare moet aanwenden. Maar door variatie in drijfmest is een eerste winst te behalen. We mengen dik en dun door elkaar heen, dat geeft reacties die niet gunstig zijn. De plant neemt het beste aminozuren op. Die hebben we niet meer in drijfmest zitten.’

Melkveehouders kunnen door te sturen op de zwaarte van de snede de kwaliteit en hoeveelheid droge stof verhogen. Bij een opbrengst van 3000 kg DS zit er voldoende ruweiwit in het gras (180-200), maar de structuur van het product verdient aandacht. Een opbrengst van 4000 kg DS (RE 150-170) is gemiddeld goed. ‘Maar de gemiddelde boer bestaat niet’, grapte Riemersma. Bij een opbrengst van 5000 kg DS (RE 120-140) is aanvulling van eiwit en mengvoer nodig. ‘Als het uit de hand loopt met droge stof, doe het gras dan in de baal, niet in de kuil. Dit gras is gevoelig voor broei’, was zijn advies.

Kuil met uitdaging

Jaco Kastelein legde aan het einde van de middag de uitslagen van zijn tweede kuil voor aan Riemersma, een kuil met in de ogen van de veehouder te weinig VEM, te veel ruweiwit en te veel OEB. Deze kuil wordt een uitdaging, aldus Kastelein. ‘Het vervelende is dat hier een kuil met een hoeveelheid voor een goede 200 dagen ligt. Er moet van alles bij om het eiwit recht te trekken. Ik ben nu met 2 voerleveranciers bezig, die er hun tanden op mogen stuk bijten. Want ik wil met deze mindere kuil toch goede productiecijfers neerzetten.’

Piet Riemersma vond het VEM-gehalte in de kuil niet direct verontrustend. Volgens de specialist is een kuil geslaagd als die snel stabiel geworden is. ‘Kijk daarvoor naar de ammoniakfractie. Dit is een maat voor de conservering van de kuil. Heeft dit proces te lang geduurd, dan gaat dat ten koste van het eiwit. Een hoge ammoniakfractie (streeftraject <7) kan ook een gevolg zijn van vervuilingen door schimmels, de enterobacterie en clostridia.’ Hij raadde de boeren aan bij vroeg inkuilen melkzuur toe te voegen.

Riemersma sprak na afloop van een ‘supergoede middag’. ‘Jullie hebben goed over het inkuilproces nagedacht.’ Daarna kreeg gastheer Jan Nieuwenhuizen het woord om over zijn melkveebedrijf, de Landwinkel en de recreatietak op het bedrijf te vertellen. Tot slot ging de studiegroep de stallen in en zag hoe Jan zijn bedrijf op efficiënte wijze heeft opgezet.

BLOG: Sluit u zich ook aan?

U kent ze wel, van die ouderwetse posters, met kloeke mannen en struise (huis)vrouwen, in kleuren die ik associeer met een ver verleden en slogans uit de tijd dat deze nog niet origineel hoefden te zijn. Die posters vond ik ook toen ik op de welbekende zoekmachine de woorden ‘sluit u aan’ intypte. Niet direct de beelden die in mij opkomen als ik denk aan Proeftuin Veenweiden. Toch houd ik de woorden even vast.

Passend bij de boerenpraktijk

Af en toe mag ik, als adviseur en opdrachtgever van dit project aansluiten. Bij een overleg over de voortgang van het project, een interessante bijeenkomst of, zoals onlangs, bij een lunchsessie over kansen voor ammoniakemissiereductie in combinatie met monovergisting van rundveemest. Daarover een andere keer meer. Ik ga eigenlijk elke keer met goede zin naar zo’n activiteit toe en kom er meestal met nog meer enthousiasme vandaan. Veel van de ideeën en vermoedens die we hadden toen we bezig waren het project voor te bereiden, blijken te kloppen. Er zíjn heel veel verschillende maatregelen te nemen om emissie van ammoniak terug te brengen. Deze maatregelen sluiten veelal goed aan bij de boerenpraktijk. Bovendien hebben de meeste van de maatregelen ook effect op zaken als het vertragen van bodemdaling, het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater, het stimuleren van biodiversiteit én – last but not least – ze leveren geld op.

Niet te snel willen gaan

De les, die ik ook in dit project wel weer leer, is dat het van belang is niet te snel te gaan. In mijn hoofd hadden we nu al meerdere maatregelenpakketten ‘verkocht’ aan andere geïnteresseerde partijen, uit bijvoorbeeld de industrie of projectontwikkelaars. De praktijk is dat we eerst nog een flinke klus hebben om de aansluiting te maken tussen bijvoorbeeld de meer dan 100 ondernemers die actief betrokken zijn in dit project en hun niet of minder betrokken collega’s.

Denk, lees en doe mee met Proeftuin Veenweiden

Daarom wil ik u als lezer, of u nu ambtenaar, bestuurder, ondernemer, adviseur of ‘gewoon’ burger bent, oproepen: sluit u aan. Denk, lees en doe mee! Houd de agenda van de Proeftuin in de gaten en kom naar onze themabijeenkomsten. Stap eens op een pilotboer af om te weten waar hij aan werkt. Deel uw ideeën en visie met ons. Samen kunnen we nog meer bereiken en wordt de impact van dit prachtige project nog groter. Ik kijk er naar uit!

Andries Middag



 

Speerpunt voor 2018: ‘Eiwitgehalte in rantsoen moet omlaag!’

Het eiwitgehalte in het rantsoen daalt nauwelijks, blijkt uit de enquête onder de 100 deelnemers van Proeftuin Veenweiden. Een slechte zaak, vindt begeleider Teus Verhoeff. Melkveehouders en erfbetreders hebben te weinig besef van de urgentie van het ammoniakprobleem, stelt hij. “We moeten hier in 2018 echt keihard mee aan de slag!”

Teus Verhoeff houdt zijn hart vast als in maart volgend jaar tijdens de studiegroepbijeenkomsten de KringloopWijzers 2017 op tafel komen. Dat is een belangrijk meetmoment ten opzichte van 2016, zegt de adviseur. “Het vermoeden is dat het de meeste boeren in 2017 niet is gelukt een rantsoen met minder eiwit samen te stellen. Dat betekent dat we achteruit zijn geboerd in het terugdringen van de ammoniakuitstoot. Dat is niet de bedoeling van Proeftuin Veenweiden, we willen de NH3-uitstoot juist met 25 procent verminderen! Er staat ons in 2018 een belangrijke taak te wachten.”

Volgens Verhoeff wordt de urgentie om het ammoniakprobleem aan te pakken niet alleen door melkveehouders onderschat, ook voerleveranciers zijn hier nog te weinig van bewust. Als er een boer is die dat urgentiegevoel wel heeft, staat hij vaak alleen. Minder eiwit in het rantsoen kan leiden tot een daling van de melkgift, een reden waarom voeradviseurs niet staan te springen hierover met de ondernemer van gedachten te wisselen. Toch is er een omslag nodig, benadrukt Verhoeff.

Balans tussen eiwit en energie

Het eiwitgehalte in het winterrantsoen moet onder de 150 kunnen, stelt de adviseur. In de praktijk blijkt dat de 10 pilotboeren bijna allemaal boven de 160 zitten. Dat zit in de gehalten van krachtvoer én ruwvoer. De uitdaging voor 2018 is om het ruw eiwitgehalte in het rantsoen omlaag te krijgen. En het eiwit dat de koe ingaat, moet maximaal worden benut in de melk. Verhoeff: “Dat betekent dat de samenstelling van het kuilgras moet veranderen én dat de voerleverancier met krachtvoer beter moet compenseren.”

Hoe krijg je een betere balans tussen VEM en eiwit in kuilgras? Door het toepassen van de juiste bemestingsstrategie en door het juiste maaimoment te kiezen, aldus de begeleider. Bij bemesten is het voor de samenstelling van het gras belangrijk hoe, hoeveel, wanneer en met welk soort er wordt bemest, zegt hij. “Een boer kan met drijfmest en kunstmest sturen in wat voor gras van een perceel afkomt. Daar moet hij in het vroege voorjaar al over nadenken. Daarnaast zijn er kunstmestsoorten die pretenderen dat er meer DVE (direct benutbaar eiwit) in het gras terechtkomt.”

Binnen Proeftuin Veenweiden wordt in het komende seizoen ook extra aandacht besteed aan het moment van maaien. Veel boeren maaien te vroeg, zegt Verhoeff. “Als je het gras wat langer laat staan, komt de balans tussen eiwit en energie er beter in. Daarnaast kun je toevoegmiddelen gebruiken om de balans te verbeteren. Dat wordt de zoektocht voor 2018.”

Met de onzekere weersomstandigheden is dat voor de melkveehouder een hele uitdaging. Daarom is de voerindustrie ook zo hard nodig, vindt Verhoeff. “Die kan niet achteroverleunen tot het ruwvoer perfect is. Voerleveranciers moeten met het gewonnen ruwvoer het rantsoen optimaliseren met een minimum aan eiwit.”

Taak voor wetenschap en voerindustrie

De wetenschap en de voerindustrie hebben daarmee een gezamenlijke verantwoordelijkheid in het terugdringen van de ammoniakuitstoot op de bedrijven. Onderzoekers van Wageningen UR en nutritionisten van de voerindustrie moeten met elkaar op zoek naar krachtvoeders voor het grasrijke rantsoen in de veenweiden, zonder dat de melkproductie daaronder lijdt, zegt Verhoeff. “Als zij eruit zijn, kunnen de deelnemers van de Proeftuin daar direct mee aan de slag, zodat de hele sector ervan kan profiteren. Als dit niet lukt, hebben we een groot probleem, want het verlagen van eiwit in het rantsoen is één van de pijlers waarop de ruimte in de PAS rust (zie kader).”

Urgentie beperken ammoniakuitstoot

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit streeft ernaar de stikstofneerslag in 117 van de 166 Nederlandse Natura 2000-gebieden te verminderen. In het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is een pakket aan generieke maatregelen opgenomen voor de landbouw. Strengere eisen aan de uitstoot uit stallen en het uitrijden van mest moeten de uitstoot van ammoniak verminderen. Daarnaast zijn voer- en managementmaatregelen noodzakelijk. Deze maatregelen moeten in 2030 leiden tot vermindering van de uitstoot van ammoniak met 10 kiloton. Door het PAS ontstaat ruimte voor nieuwe economische activiteiten met stikstofuitstoot in de buurt van de Natura 2000-gebieden. Zo kunnen ook in de toekomst nieuwe Natuurbeschermingswetvergunningen worden uitgegeven (bron: Rijksoverheid).

Keuzestress rond najaarsgras

In 2017 is er veel gras gegroeid. Het hield maar niet op. Sterker nog, het groeit nog steeds! Deze gras-groei-marathon gaf in het najaar de nodige keuzestress voor de melkveehouders. Moet ik nog een keer maaien? En zo ja, wat doe ik er dan mee? Er werd volop gerekend en geprakkezeerd.

Toch is het moeite waard om voor volgend jaar goed te overwegen wat te doen om het herfstgras optimaal te benutten. Dat geeft een hoger rendement van het eiwit van eigen bodem en daarmee een lager verlies van stikstof in de vorm van ammoniak en nitraat.

Keuzestress moment 1: najaarsgras maaien of laten staan?

Maaien in het late najaar is geen automatische keuze, want je kunt het ook laten staan, hopend op een niet al te strenge winter of een flinke koppel schapen in jagen.,

De praktijk wil echter dat bijna alle veehouders dit jaar in de droge periode van september wel een flinke lap grond hebben gemaaid. Hun redenen hiervoor waren:

  1. een frisse na-weide creëren voor de melkkoeien;
  2. extra grasopbrengst en daarmee een hogere N-benutting van de bodem;
  3. geen lang gras in de winter met het risico van vorstschade aan het gras.

Na september was maaien geen optie meer en waren schapen de enige optie om het gras kort te krijgen en de ganzen voor te zijn …

Keuzestress moment 2: wat doe ik met het gemaaide gras?

Als je dan al besloten had om te maaien, had je nog een vraag te beantwoorden: Wat doe ik ermee?

Er zijn in de loop der tijd verschillende opties bedacht:

  1. Verkopen
  2. Inkuilen
  3. Drogen
  4. Grasbrok

Verkopen of zelf inkuilen?

Verkopen is bijna onmogelijk omdat niemand zit te wachten op dit soort gras. Najaarsgras heeft vaak een wat lagere VEM (850 – 900) en veel Ruw Eiwit (>200), waardoor het als gras in een rantsoen slecht tot haar recht komt en voor veel verlies zorgt in de vorm van ammoniak. Naast de lastige samenstelling is het inkuilen van najaarsgras ook een uitdaging. Ten eerste om het een beetje droog onder/in het zeil te krijgen en daarna om het goed te benutten in het rantsoen. Met ronde balen en een voermengwagen kom je daarmee het verst.

Gras drogen en grasbrok

Om bovenstaande redenen is het idee ontstaan om najaarsgras te drogen en tot grasbrok te persen. Na droging heeft het gras meer bestendig eiwit en kan prima eiwitrijk krachtvoer vervangen in het rantsoen. Ook is het prima te bewaren zonder verliezen. Een voorbeeld van een analyse-uitslag van grasbrok staat in onderstaande figuur.

Voorbeeld van analyse-uitslag van grasbrok

Grasbrok maken kan door een grasdrogerij, zoals bijv. Hartog in Abbekerk (NH) of de Grasdrogerij Ruinerwold. Grasbrok maken kost ongeveer 24 cent per kg bij de drogerij. Hierbij komen nog extra kosten voor transport en de veehouder moet zelf maaien en harken. Afhankelijk van de locatie zal de grasbrok in totaal op ongeveer 30 cent per kg uitkomen.

Het gras alleen laten drogen kan ook bij bovengenoemde grasdrogerijen (tot 85 % ds). Inclusief kosten voor transport plus maaien en harken, komen de kosten uit op ongeveer 28 cent per kg. Ook zijn er speciale droogunits op boerderijschaal om ronde balen te drogen. Voordeel na droging is dat het eiwit bestendiger zal zijn, het zorgt voor meer rust in de pens, zodat er een eiwitarmere brok gevoerd kan worden!

Uitslag enquête onder 100 deelnemers Proeftuin Veenweiden

Meer dan 80% van de melkveehouders heeft in 2017 de drijfmest met (veel) meer water verdund. Dit blijkt uit een enquête die dit najaar is gehouden onder de 100 deelnemers aan de studiegroepen van Proeftuin Veenweiden. Uit de reacties bleek ook dat één op de 3 deelnemers het eiwitgehalte in het rantsoen naar beneden heeft weten te brengen. En er is afgelopen seizoen iets meer geweid dan het jaar daarvoor.

Massaal meer water bij de drijfmest in 2017

Meer dan 80% van de 100 melkveehouders die meedoen aan de Proeftuin Veenweiden hebben in 2017 de drijfmest met (veel) meer water verdund dan in 2016. Dat de loonwerker wat langer bezig is, weegt niet op tegen bovengenoemde voordelen. Als reden om te verdunnen geven de melkveehouders drie redenen:

  • betere opname door de plant en daarmee een betere benutting van de mineralen;
  • minder vervluchtiging van stikstof in de vorm van ammoniak;
  • schoner gras om na bemesting te beweiden.

De overige 20% van de geënquêteerden geeft aan niet (meer) te zijn gaan verdunnen, omdat:

  • ze voorheen al voldoende verdunden (16%);
  • ze altijd bij regenachtig weer uitrijden (2%);
  • er genoeg spoelwater in de kelder loopt (2%).

Eiwitgehalte in het rantsoen zakt nauwelijks

Uit de enquête blijkt ook dat 1 op de 3 deelnemers het eiwitgehalte in het rantsoen in 2017 naar beneden heeft weten te brengen ten opzichte van 2016. De helft van deze groep is daarbij geholpen door de voeradviseur, terwijl de andere helft het zelf heeft geregeld. Bij het merendeel van de deelnemers is het dus niet gelukt om het eiwitgehalte te laten zakken. Als belangrijkste redenen waarom het in 2017 niet is gelukt om een rantsoen met minder eiwit samen te stellen, geven de deelnemers als antwoord:

  • bewust minder bijvoeren, omdat eigen (gras)eiwit als eerste moet worden benut;
  • het ruw-eiwitgehalte in het eigen gras was (erg) hoog dit jaar;
  • het heeft (te) weinig aandacht gehad, ook van de voer-adviseur;
  • het ruw-eiwitgehalte in het rantsoen was al laag.

Iets meer beweiding in 2017

Van de 100 ondervraagden heeft ongeveer een kwart meer geweid dan in 2016, vooral dankzij de vroege beweiding in het voorjaar. 8% van de melkveehouders geeft aan minder te hebben geweid als gevolg van de natte periode in de herfst. Voor 65% van de groep is het gelijk gebleven.

Analyse van begeleider Teus Verhoeff:

  1. Het is een kwestie van tijd en dan zal iedere melkveehouders drijfmest bij uitrijden optimaal verdunnen, om geen dief van zijn eigen portemonnee te zijn!
  2. Er komt pas echt minder eiwit in het rantsoen als er bij melkveehouders het gevoel van urgentie groter is. Daarvoor zullen alle erfbetreders moeten meewerken aan oplossingen in die richting.
  3. Melkveehouders in Proeftuin Veenweiden willen het liefst zoveel mogelijk beweiden en zijn daarbij afhankelijk van de weersomstandigheden

Lees verder over de deelnemers in Proeftuin Veenweiden


Als u meer wilt weten over de Proeftuin Veenweiden en op de hoogte wilt blijven van de nieuwste ontwikkelingen, kunt u zich abonneren op de nieuwsbrief.