Met Kurzrasen 2 weken eerder weidegang

Langer weiden vermindert ammoniakemissie. In de proeftuin Veenweiden wordt kurzrasen vergeleken met stripgrazen. Dit voorjaar konden de koeien met kurzrasen 2 weken eerder naar buiten dan met stripgrazen. Met een veedichtheid van 7 koeien per ha en zonder bijvoeding van ruwvoeder op stal, konden de koeien eind maart maar net de grasgroei bijhouden. Een opmerkelijk resultaat.

Minder ammoniakemissie

De totale ammoniakemissie van melkveebedrijven vermindert aanzienlijk wanneer koeien langer in de wei lopen. Dat komt vooral doordat er minder mest wordt uitgereden. In modellen is berekend dat elk uur extra weidegang de ammoniakemissie vermindert met 3,3 gram per koe per jaar. Melkveebedrijven die veel weidegang toepassen realiseren daarmee een duidelijk lagere ammoniakuitstoot in de stal dan volgens de huidige RAV-normen.

Betere draagkracht en graskwaliteit

Door kort en intensief te beweiden kan mogelijk een dichte zode worden gecreëerd waardoor de draagkracht van de bodem verbetert. Daarnaast blijft gras in najaar door kort weiden smakelijker. Beide aspecten dragen bij aan een verlenging van het weideseizoen. In de Proeftuin Veenweiden wordt in 2017 in samenwerking met het project Amazing Grazing het zogenaamde ‘kurzrasen ’als beweidingssysteem vergeleken met stripgrazen. Hierbij is de hypothese dat koeien met kurzrasen langer kunnen weide dan bij stripgrazen. Kort weiden kan aan de andere kant aanleiding geven tot eiwitrijker gras en een hogere TAN in de drijfmest. Dit zorgt juist weer voor extra ammoniakemissie waardoor het voordeel van extra beweiden t.b.v. reductie van ammoniakemissie kleiner wordt. Via twee OEB niveaus in de bijvoeding (OEB+, OEB-) wordt dit aspect vergeleken. Daarnaast wordt gekeken of een lagere OEB in de bijvoeding aanleiding geeft tot een hogere opname van gras in de wei.

Meer weten?

Mail naar Nick van Eekeren (N.vanEekeren@Louisbolk.nl)

 

Proeftuin experimenteert met kunstmest

Op veengrond is KAS een gewaardeerde kunstmest die het eigenlijk altijd goed doet. Uit meerdere kunstmestproeven die o.a. op het KTC Zegveld zijn uitgevoerd, wordt dit bevestigd. Toch blijft de kunstmestindustrie zoeken naar kunstmestsoorten die een betere benutting en grasopbrengst geven dan het oude vertrouwde KAS. Ook bij pilotboeren van de Proeftuin was het dit voorjaar weer een punt van discussie welke kunstmestsoort het meest geschikt is.

Betere stikstofbenutting

Vanuit de Proeftuin zijn we zeer geïnteresseerd, omdat een betere benutting van stikstof door de bodem minder input vanuit kunstmest vereist en daarmee ook de uitstoot van ammoniak verlaagt. Daarnaast bevatten veel van de vloeibare kunstmestsoorten ureum. Ureum is niet direct opneembaar voor de plant en moet eerst nog omgezet worden. Tijdens deze omzetting kan gemakkelijk ammoniak ontstaan, vooral onder ongunstige omstandigheden als wind en droogte.

Experiment bij pilotboeren Arno Plomp en Jan Graveland

Arno Plomp wil onderzoeken wat de meerwaarde is van KAS zwavel ten opzichte van KAS en bij Jan Graveland worden meerdere typen kunstmest met elkaar vergeleken.

Arno Plomp

Regelmatig wordt KAS Zwavel gepromoot op veenweide-bedrijven ondanks de ruime voorziening van zwavel in de bodem. Stikstof met zwavel zou leiden tot een hogere grasopbrengst en betere stikstofbenutting. Met dit experiment willen we weten of dit ook echt zo is. Specifiek voor veengrond spelen er verder nog vragen of het extra zwavel wel goed is voor de koe (teveel zwavel verdringt o.a. koper) en welke invloed extra zwavel heeft op de mineralisatie (zwavel is in de bodem een katalysator maar spoelt ook gemakkelijk uit). Meer mineralisatie leidt immers tot een versnelde bodemdaling. In de proef bij Arno Plomp vergelijken we KAS met KAS zwavel op het gebied van opbrengst en stikstofbenutting.

Jan Graveland

Alle kunstmestsoorten bestaan in de basis uit één of een mengsel van de volgende vormen van stikstof: nitraat, ammonium of ureum. Nitraat werkt het snelst, ureum het langzaamst. KAS bestaat voor de helft uit ammonium en voor de helft uit nitraat. Een veelgehoord argument van verkopers is extra grasopbrengst bij gebruik van vloeibare meststoffen. Vloeibaar wordt echter meestal met een loonwerkersmachine toegediend, die netjes en ‘vierkant’ kunnen werken. Dit alleen kan al een verklaring zijn voor de meeropbrengst van vloeibaar ten opzichte van korrels.

Veel belangstelling voor themamiddag mesttoedienen per 2018

Er moesten flink wat stoelen bij om de ruim 75 geïnteresseerden een plek te kunnen geven in de zaal. Het verbod op de sleepvoet per 2018 leeft duidelijk onder de melkveehouders en loonwerkers. Kernboodschap van de themamiddag van de Proeftuin Veenweiden was dat de sleepvoet kan blijven bestaan door de mest – aantoonbaar – voldoende te verdunnen.

Snel ruwvoer telen? Kunstmest delen!

De bemestingsnormen zijn scherp en kunstmest kost geld. Alle reden om het maximale uit de meststoffen te willen halen en deze zo goed mogelijk te benutten. Dat betekent op het juiste moment bemesten. Maar wanneer is dat dan eigenlijk?

Bodemtemperatuur en grasgroei

Bemest wanneer het gras er ook wat mee kan. Zolang het gras niet groeit, is het weinig zinvol om te bemesten. Het gras kan er niks mee en er is een grote kans op verliezen. Hierbij geldt dat bij een bodemtemperatuur van rond de 8 graden het gras actief wordt en voedingstoffen op zal nemen. Daarom is bemesten pas zinvol vanaf een bodemtemperatuur vanaf 8 graden. Een andere invalshoek is dat kunstmest het gras aanzet tot groeien. In dat geval wacht je niet met bemesten tot het gras begint te groeien, maar laat je gras beginnen te groeien door het te bemesten.

Experiment Proeftuin Veenweiden

Om hier meer inzicht in te krijgen, is binnen Proeftuin Veenweiden is een klein experiment op een van de deelnemende melkveebedrijven uitgevoerd. Daarbij is de bodemtemperatuur en de grashoogte gemeten op percelen met en zonder kunstmest. Op de percelen met kunstmest is op 18 februari een gift van omgerekend 20 kg N per ha gebracht. In onderstaande figuur staan de bodemtemperatuur en grashoogtes van deze percelen weergegeven.

bodemtemperatuur x grashoogtes

Vroege start

In bovenstaande figuur is te zien dat ondanks het feit dat de bodemtemperatuur op 10 cm diepte nog niet boven de 8 graden is geweest, het gras tóch begint te groeien. En op de percelen met een kleine kunstmestgift begint die grasgroei al eerder dan op de percelen zonder mest. Door de vlottere start stond er half maart op het veld met kunstmest ruim 2 cm meer gras; dat is zo’n 200 kg droge stof per ha. Een bedrijf met 50 ha grasland zou hierdoor dus al 10 ton droge stof meer gras kunnen hebben.

Gedeelde gift

Op basis van bovenstaande gegevens lijkt het erop dat de start van de grasgroei kan worden versneld door een vroege (kunst)mestgift. Het nadeel van het vroeg toedienen van meststoffen is de grotere kans op verliezen waardoor de uiteindelijke grasopbrengst weer kan tegenvallen. Een gedeelde mestgift kan hierbij uitkomst bieden. Een kleine gift om de grasgroei op gang te brengen en het merendeel later in het seizoen bij een T-som van ongeveer 300 graden. Zo behaal je een hoge benutting en een vroege start.

Proef

Hoewel het een klein experiment was, geeft een indicatie van wat mogelijk is. Op dit moment wordt het effect van verschillende bemestingsmomenten onderzocht op het KTC in Zegveld. We kijken uit naar de resultaten.

Pilotboeren testen extra verdunnen van drijfmest

Op de Proeftuin Veenweiden pilotbedrijven, van Jaap Schep en Wouter Beukeboom is een proef aangelegd, waarin drie niveaus van verdunning van mest met water met elkaar worden vergeleken:

  • 1 deel water op 3 delen mest (25% water) = normale verdunning van de loonwerker
  • 1 deel water op 2 delen mest (33% water)
  • 1 deel water op 1 deel mest (50% water)

De proef strekt zich uit over ongeveer 9 ha, onderverdeeld in 9 velden van ongeveer 1 ha, die afgebakend worden door sloten en greppels.

drie niveaus van verdunning van mest met water

Over twee snedes wordt de mest in deze drie verdunningen aangebracht. Per snede wordt de hoeveelheid (kg droge stof) en kwaliteit (o.a. VEM en ruw eiwit) van het gras gemeten. Ook wordt een monster van de drijfmest genomen, zodat bekend is hoeveel kg N er per ha wordt verstrekt.

Wat verwachten we?

Gezien eerdere proeven is de verwachting dat een grotere verdunning een betere benutting van de stikstof uit de mest geeft. Dit heeft twee oorzaken:

  • Bij verdunning verdwijnt er minder ammoniak in de lucht, zodat er meer stikstof beschikbaar komt voor de plant.
  • Bij verdunning worden de mineralen beter opgenomen door de plant, zodat er minder kans bestaat op uitspoeling.

Half mei verwachten we de eerste snede. We geven dan graag door welke verschillen er zijn gevonden in graskwaliteit en – kwantiteit tussen de percelen.

 

Koeiendans bij Richard Korrel op eerste lentedag

Maandag 20 maart opende Epke Zonderland de staldeuren van Maatschap Korrel in Ouderkerk aan de Amstel, deelnemer Proeftuin Veenweiden. Het startsein voor het weideseizoen 2017. Schoolklassen en pers konden genieten van de swingende lentekriebels van Richards koeien.

Groepsapp bodemtemperaturen

De bodemtemperatuur houden we in het voorjaar nauwlettend in de gaten om het optimale moment van bemesten te bepalen. Want waarom zou je mest op het land gooien als het gras nog niet aan groeien denkt? Dan is de kans groot dat de mineralen de wortels passeren en uit de kringloop vliegen.

Het is bekend dat bij 8 graden Celsius de grasplant begint te groeien. Vanaf dat moment staan te wortels op scherp om voedingsstoffen op te nemen. Dat is dus het moment om de drijfmest aan te wenden. Uiteraard is er verschil in bodemtemperatuur tussen natte en droge percelen. Hoe natter de bodem, hoe langzamer deze opwarmt en dus hoe langer het duurt voordat deze de temperatuur van 8 graden heeft bereikt.

In Proeftuin Veenweiden is het plan opgepakt om een groepsapp te maken waarin de pilotboeren elkaar op de hoogte houden van de bodemtemperatuur in ‘een gemiddeld perceel’.

In onderstaande grafiek de gemeten bodemtemperaturen (gemiddelde van 10 pilotboeren).

Bodemtemperatuur verloop

Tot 22 februari zat er een prima stijging in de bodemtemperatuur tot 7 graden, daarna viel het weer terug, mede door de enorme regenval. Al met al hebben we de 8 graden nog niet bereikt en is er heel veel regen gevallen. Waarschijnlijk is de benutting van de reeds aangewende drijfmest daardoor niet optimaal.

Inmiddels zitten we weer op de 7 graden. Als het land nu opdroogt is het ook meteen 8 graden en daarmee een geschikt moment om uit te rijden. Het enige criterium is nu nog de draagkracht en berijdbaarheid van de grond.

Meer weten?

Mail naar Teus Verhoeff, teus@proeftuinveenweiden.nl

Bodemdaling en onderwaterdrainage in het veenweidegebied

“Verbinden” was het sleutelwoord op 22 februari tijdens de themamiddag bij Proeftuin-pilotboer Arno Plomp. Verbinden van bodemdaling in het veenweidegebied met ammoniakemissie, waterkwaliteit en -kwantiteit. Maar ook met natuur- en landschapsbeheer. En last but not least: toekomstperspectief + verdienmogelijkheden voor de melkveehouderij. Zo’n 25 deelnemers gingen n.a.v. drie presentaties met elkaar in gesprek. Integraal denken en doen is een mooie uitdaging, maar gaat niet altijd vanzelf….

Elke centimeter telt

Marjan Holtman van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) trapte af met een presentatie over de noodzaak van een gezamenlijke aanpak om bodemdaling te beperken. Om in de toekomst te kunnen wonen en werken in het veenweidegebied moet er nu gehandeld worden. HDSR wil daarover in dialoog met belanghebbende partijen. Daarbij stelt HDSR voor polderpeilen in de toekomst niet meer volledig te indexeren aan het tempo van de (huidige) bodemdaling. Daar staat tegenover dat HDSR agrariërs en andere belanghebbenden wil faciliteren bij benodigde aanpassingen. Zo faciliteert HDSR momenteel in 2 polders agrariërs die aan de slag zijn gegaan met onderwaterdrainage (OWD). Het is de ambitie van HDSR om in 2050 de bodemdaling met 25% teruggebracht te hebben mét toekomstperspectief voor de melkveehouderij.

Uiteraard leverde dat discussie op. Sommigen waren van mening dat HDSR niet eenzijdig kan afzien van peilindexering. Anderen stonden daar voor open: “mits dat gelijk opgaat met het faciliteren van benodigde aanpassingen en we daar open over in gesprek kunnen”. HDSR kreeg voor dat laatste impliciete lof: “dat was vroeger wel eens anders”. Een belangrijke hamvraag was wie er moet gaan betalen voor de aanleg van onderwaterdrainage? HDSR gaf aan met name te willen bijdragen aan de investeringen van voorlopers én ook te willen faciliteren bij het aanvragen van POP3-subsidies voor onderwaterdrainage. “Maar op den duur is het ook een eigen verantwoordelijkheid”. Daar werd tegen ingebracht dat het tegengaan van bodemdaling een maatschappelijke opgave is en geen boerenopgave: “dat betekent 100% subsidie”. Vanuit de Proeftuin Veenweiden werd aangegeven dat het niet zo zwart-wit hoeft te liggen: “onderwaterdrainage leidt ook tot baten voor de landbouw en wie weet zijn er mogelijkheden om het in te richten als een groen-blauwe dienst” Waarmee feitelijk een voorschot werd genomen op de resterende 2 presentaties. Tenslotte werd nog vanuit de zaal meegegeven dat het waterschap af zou moeten van het dogma van grote peilvlakken: “Gemiddelde drooglegging bestaat niet, ga voor meer maatwerk, daarmee is bodemdaling beter te beperken”.

Precisiewatermanagement met onderwaterdrainage 3.0

Idse Hoving van Wageningen University & Research presenteerde de voorlopige uitkomsten van een experiment met OWD gekoppeld aan een pomp-put (‘drukdrains’), waarmee de grondwaterstand zeer precies kan worden geregeld. Dit experiment op VIC Zegveld is het afgelopen jaar gestart. Er wordt gestuurd op een vast grondwaterpeil van 35-40 cm onder maaiveld. De ambitie is om uiteindelijk te komen tot een zelflerend systeem dat volledig automatisch het grondwaterpeil constant houdt. Uit de eerste resultaten blijkt dat deze versie van OWD (onderwaterdrainage 3.0) kan leiden tot wel 75% vermindering van de bodemdaling én een betere waterhuishouding. Het verloop van de grondwaterstand door het groeiseizoen is veel vlakker dan in situaties zonder of met traditionele OWD. Er zijn ook landbouwkundige baten: minder droogte- en natschade, minder vertrappingsverliezen bij weidegang en een hogere nettoproductie. Door een lager ruw eiwit-gehalte in het nazomergras en vergroting van het aantal weidedagen (ca. 30), zorgt het ook voor een 5-10% lagere ammoniakemissie. Verder neemt ook de CO2-emissie (tot wel 75%) af en verbetert de waterkwaliteit: er mineraliseert immers veel minder veen.

Er waren veel praktische vragen vanuit de zaal. Hoe lang de drain maximaal mag zijn (300 m). Hoever uit elkaar (tussen 4-6 meter afhankelijk doordringbaarheid bodem). Of de pomp extreme droogte en heftige regenval wel aankan (ja). En of de uitslagcapaciteit wel voldoende is (ja). Ook nog een spannende suggestie: maisteelt in veenweidegebieden wordt momenteel als ongewenst gezien, vanwege het sterke effect op bodemdaling. Kan deze vorm van onderwaterdrainage maisteelt weer mogelijk maken?

Verdienen aan bodem, water en lucht?

Debby van Rotterdam (NMI/hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht) ging in op de filosofie van de Proeftuin Veenweiden dat maatschappelijke wensen op het vlak van bodem-, water- en luchtkwaliteit geen bedreiging zijn, maar een kans om aan te verdienen. Naast directe baten voor de agrarische bedrijfsvoering (zie de presentatie van Idse Hoving), liggen er ook potentiële nieuwe verdienmogelijkheden in “integrale beheerpakketten”, een soort “agrarisch natuurbeheer-pakketten”, maar dan niet gericht op weidevogels en slootkanten, maar gericht op waterkwaliteit, bodemdaling, ammoniakemissie en CO2-uitstoot. Dit soort pakketten bestaat momenteel nog niet, maar worden ontwikkeld door NMI, PPP-Agroadvies en Boeren Verstand. Het basisidee is simpel, maar om het ingepast te krijgen in bestaande kaders van het Agrarische Natuur en Landschaps-beheer is nog een heel gedoe als gevolg van Europese regels. Niettemin hebben de initiatiefnemers al de nodige stappen vooruit kunnen zetten. Er liggen ook kansen om “integrale beheerpakketten” direct vanuit waterschappen of andere belanghebbenden financieel te ondersteunen. Het idee is dat collectieven/-agrarische natuurverenigingen dit soort pakketten straks gaan aanbieden aan agrariërs in hun gebied.

Vanuit de zaal werd aangegeven dat de insteek vanuit collectieven aanspreekt. Maar dat de vergoedingen dan wel substantieel moeten zijn. En men is beducht voor ‘administratief gedoe’, waar ook het agrarisch natuurbeheer al van vergeven is….

Excursie Polder Spengen

Vanwege het stormachtige weer, werd de excursie in Polder Spengen afgeblazen. In plaats daarvan werd een filmpje vertoond over de aanleg van de onderwaterdrainage in de polder (“het was nog nooit zo stil”) en beantwoordden Annet van Schie (HDSR) en Gerard Verhoef (agrariër) vele praktische vragen over onderwaterdrainage in polder Spengen.

Themasessie 5 april: mesttoediening per 2018

De huidige sleepvoet is per 2018 verboden op veen en klei. Maar wat is dan het alternatief? Op 5 april organiseert de Proeftuin Veenweiden – i.s.m. de Proeftuin Natura 2000 –een themasessie ‘mesttoediening voor loonwerkers en melkveehouders’.

let op locatieaanpassing!

De themasessie zal plaatsvinden in De Zwaan, Kerkweg 2, 2825 BS Berkenwoude.

Een afwisselend programma met:

  • Achtergronden van het verbod van de sleepvoet. Eisen aan alternatieven (door Jacob van Vliet-EZ/NVWA).
  • Alternatieven voor de sleepvoet (door Jan Huijsmans-WUR)
  • Meer grasgroei door verdunnen (door Herman van Schooten-WUR)
  • Borging van verdunning (door Frank Verhoeven-Boerenverstand)
  • Demonstratie in het veld rond 16.00 uur bij pilotboer Jaap Schep, Zuidbroek 153, Bergambacht

Datum: 5 april
Tijd: 13.00 – 16.00 uur (ontvangst vanaf 12.45 uur)
Locatie: De Zwaan, Kerkweg 2, 2825 BS Berkenwoude

Aanmelden voor deelname aan de themasessie kan via t.verhoeff@ppp-agro.nl.


 

Themamiddag 24 mei: Kruidenteelt en biodiversiteit

Binnenkort meer informatie over de themamiddag op 24 mei 2017 over kruidenteelt en biodiversiteit.