Maatregelen met breed effect

In Proeftuin Veenweiden werken melkveehouders en adviseurs nauw samen aan de thema’s ammoniakemissie, waterkwaliteit, broeikasgasemissies en bodemdaling. Daarbij ligt de focus in eerste instantie op maatregelen om de ammoniakemissie te verminderen. Om vervolgens te onderzoeken welke effecten de maatregelen hebben voor de andere thema’s. En dan juist díe maatregelen te kiezen die ook nog een bijdrage leveren aan een of meer van de andere drie thema’s.

Maatregelen inventariseren en doorrekenen

We hebben diverse maatregelen geïnventariseerd en doorgerekend op effectiviteit qua reductie van de ammoniakemissie. Vervolgens is gekeken wat het effect is van de verschillende maatregelen op waterkwaliteit, bodemdaling en broeikasgasemissies. In tabel 1 zijn de effecten kwalitatief weergegeven. Een ‘+’ is dan een positief (wenselijk) effect en een ‘-‘ is een ongewenst effect. De doorgerekende maatregelen hebben sowieso allemaal een gunstig effect op de ammoniakemissie. Dat is ook de basis voor de keus van de maatregelen. Een aantal effecten en maatregelen wordt nader benoemd. Een eerste inschatting is dat verschillende managementmaatregelen ook economisch gunstig zijn, maar daarover een volgende keer meer informatie.

Wat weten we nu?

  • Geen negatief effect voor bodemdaling
    De effecten op de bodemdaling zijn niet in de tabel weergegeven. Geen van de maatregelen heeft een negatief effect op bodemdaling. Maar één maatregel is uitermate gunstig met het oog op bodemdaling.
  • Onderwaterdrainage: over de hele linie positief
    En dat is onderwaterdrainage: 50-75% minder bodemdaling en eenzelfde vermindering van emissies van broeikasgassen. Oorzaak: minder veenoxidatie door hogere grondwaterstanden in de zomer. Onderwaterdrainage is zelfs over de hele linie positief: er is er sprake van iets minder ammoniakemissie en ook een lager stikstofoverschot in de bodem. Het oorzakelijk verband heeft te maken met verbetering van de efficiëntie. Er is minder kunstmest nodig, de kwaliteit van het gras verbetert, de krachtvoergift kan dalen en de koeien kunnen langer weiden.
  • Verdund uitrijden van mest erg perspectiefvol
    Door meer dan 1/3 water t.o.v. mest toe te voegen bij de bemesting met drijfmest, daalt de ammoniakemissie. Hierdoor komt meer stikstof voor de plant beschikbaar en blijft bij droogte de vochtvoorziening beter op peil. Hierdoor is meer gewas te oogsten en kan zelfs op kunstmest bespaard worden. Dit is ook gunstig voor de waterkwaliteit en leidt tot minder energiegebruik (en dus minder broeikasgasemissies). Maar bij bedrijven die mais voeren, leidt deze maatregel tot minder mais bijvoeren. Dit kan juist leiden tot meer methaanemissie en dus een mogelijke stijging van de broeikasgasemissies.
  • Weidegang heeft ook aandachtspunten
    Ook meer weidegang leidt tot minder ammoniakemissie. Maar weidegang leidt veelal wel tot een hoger stikstofoverschot. En daarmee ontstaat een risico voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. De broeikasgasemissie kan stijgen doordat meer lachgas (een sterk broeikasgas) kan ontstaan bij weidegang. s. Aan de andere kant kan weidegang leiden tot vervanging van graskuil door weidegras en/of door maiskuil. Hierdoor kan de methaanemissie (ook een broeikasgas) gaan dalen. Daardoor zou de totale broeikasgasemissie weer kunnen dalen. Dit laatste is eerder aan de orde bij intensievere bedrijven dan bij extensieve bedrijven.

Tabel 1: Effect van verschillende maatregelen op de daling van de ammoniakemissie, daling van het stikstofbodemoverschot (als indicator voor de oppervlaktewaterkwaliteit) en de daling van de broeikasgasemissies. ‘+’ is een positief effect; ‘0’ betekent geen effect; ‘-‘ betekent een negatief effect; ‘+/-‘ betekent dat het effect in sommige gevallen positief uit kan pakken en in andere gevallen juist licht negatief.

Effect maatregelen op daling ammoniakemissie, stikstofbodemoverschot en broeikasgasemissies

1 het betreft alleen een kwalitatieve inschatting op het effect, hierin zijn geen kosten meegenomen

Meer weten?

Neem contact op met Michel de Haan (michel.dehaan@wur.nl) of Leo Joosten (joosten@org-id.org)

Mest-app in ontwikkeling

Bij drogende weersomstandigheden neemt de ammoniakemissie bij het uitrijden van mest toe. Denk hierbij aan een hogere windsnelheid, een hogere luchttemperatuur, meer zonnestraling of een lagere relatieve luchtvochtigheid. Kun je door rekening te houden met de weersomstandigheden de ammoniakemissie verminderen? Proeftuin Veenweiden ontwikkelt op dit moment een app waarmee melkveehouders/loonwerkers vaker onder ‘niet drogende omstandigheden’ de mest uitrijden. Want dat zorgt voor minder ammoniakemissies!

Anticiperen op het weer om emissiearm mest uit te rijden

De app geeft deelnemende boeren in het veenweide gebied een zeer globale inschatting van de te verwachten emissies bij het mest uitrijden. De app is een eenvoudige variant op het huidige wetenschappelijke ALFAM model. Daarin zijn namelijk slechts twee parameters meegenomen: windsnelheid & temperatuur. Daarnaast is het met het ALFAM emissiemodel niet mogelijk om nauwkeurig te voorspellen wat de emissie is op een specifiek moment van de dag. Onder andere omdat het model geen rekening houdt met veranderende weersomstandigheden na het moment van uitrijden.

emissie arm mest uitrijden schema

De gemiddelde omstandigheden zijn 15.2 C en 3.4 m/s.

Via de app zijn ook de mestgiftmomenten vast te leggen. Met deze data kan Wageningen University & Research achteraf – via een geavanceerder model dat eind 2017 beschikbaar komt – werken aan een betere voorspelling van de emissies tijdens het mest uitrijden. Dit onderzoek zal de basis vormen voor een verbeterde versie van de app in 2018.

We nemen grasmonsters!

De afgelopen weken zijn volop vers-gras-monsters genomen voor de experimenten bij de pilotboeren van Proeftuin Veenweiden. Dit moest gebeuren voor de proeven met de verschillende verdunning van drijfmest, de keuze van het maaimoment en het gebruik van verschillende soorten kunstmest. Hiervoor is zowel een opbrengstmeting nodig (kg ds / ha) als een analyse (VEM, re).

Met een houten frame van 0,5 bij 0,5 meter, een knipschaar, emmer en plastic zakken zijn de grasmonsters genomen. Per proefveld knippen we op 4 plaatsen. Het houten frame gooien we daarvoor willekeurig ergens in het land om niet te sturen op welke plaats we meten.

De eerste metingen waren voor Jan Christiaan Anker:

  • 20 april: opbrengst 3.700 kg ds / ha met 209 ruw eiwit
  • 26 april: opbrengst 3.900 kg ds / ha met 192 ruw eiwit

De week erna heeft hij werkelijk gemaaid; dat monster is nog onderweg.

Metingen

Jan Christiaan - grasopbrenst

Jan Christiaan, maaimoment Grasopbrengst 20/4: 3.700 kg ds per ha

Mineralisatie op de kaart bij Bartlo Hoogendijk

Bartlo Hoogendijk, pilotboer in Proeftuin Veenweiden, wil een goed beeld hebben van de bodemmineralisatie bij verschillende percelen op zijn bedrijf. Door mineralisatie, afbraak van organische stof, komen stikstof en fosfaat beschikbaar voor het gras. Bartlo wil hier op inspelen bij bemesting van zijn land. Waar de mineralisatie hoog is, levert de bodem van nature veel stikstof en is dus minder mest nodig, is de gedachte. Daarom maken we met Bartlo een mineralisatiekaart van zijn bedrijf.

Mineralisatie op de kaart bij Bartlo HoogendijkMineralisatie, voer en ammoniakemissie

Proeftuin Veenweiden heeft als doel om ammoniakemissie te verlagen. Ammoniak vliegt de lucht in. Dus waarom houden we ons dan bezig met mineralisatie in de bodem? Op een melkveebedrijf hangen bodem, gras en voer, vee en mest sterk met elkaar samen. Ammoniakemissie neemt toe naarmate veevoer meer eiwit (RE) bevat. Het is dus belangrijk dat het RE gehalte in het voer niet te ver op loopt. Het streven bij Hoogendijk is om het RE gehalte in het totale rantsoen te beperken tot 155. Daarbij past een RE gehalte in graskuil van niet meer dan 160-170. Dit is hoger dan 155 maar andere componenten in het rantsoen, zoals maïs, kunnen dit compenseren. Op veenbedrijven is het RE gehalte in gras vaak hoog (hoger dan 180, vooral in de nazomer) door mineralisatie die voor een flinke ‘bemesting uit de bodem zorgt.’ Om een graskuil te winnen met RE 160 moet je weten waar de mineralisatie hoog is en waar de bemesting dus lager kan zijn.

Meten of weten?

Er wordt heel wat afgemeten in de bodem, ook in de Proeftuin. Bij Bartlo werken we juist met de kennis die al beschikbaar is. Op basis van inzichten van hemzelf en van de begeleiders hebben we een ‘verwachtingenkaart’ gemaakt van de mineralisatie op het bedrijf. Daarbij is eerst een indeling gemaakt in mineralisatieniveaus laag, gemiddeld en hoog. Om die kaart te maken, hebben we gekeken naar factoren die de mineralisatie beïnvloeden. Waar warmt de bodem het snelst op? Daar zal de mineralisatie hoger zijn dan op percelen waar de bodem langer nat blijft. Er zijn prima kaarten van de hoogteligging van percelen waar je in combinatie met het slootpeil al veel uit kunt halen. Waar is de pH hoog en waar laag? De mineralisatie gaat sneller bij hogere pH. Ook het organisch stofgehalte is van belang en het landgebruik in het verleden. Ooit heeft Hoogendijk op enkele percelen maïs geteeld. Dat heeft mogelijk nog invloed. Tenslotte zijn we nagegaan waar wel eens stikstof- en of fosfaatgebrek in het gras te zien is. Door die informatie te combineren, is in twee uur een beeld ontstaan.

Op de kaart en nu?

Bartlo wil experimenteren met variërende (lagere) kunstmestgiften in de 3e en 4e snede. Dat wordt dit jaar het belangrijkste experiment in de bedrijfsvoering. Volgend jaar kan hij de mineralisatiekaart ook gebruiken om in de eerste gift al verschillen te maken. Een mogelijkheid is ook om vee bij uitstek te gaan weiden op percelen met een hoge mineralisatie. Bij het weiden op deze percelen neemt het vee veel RE op en zal dus ook veel ammoniak in mest uitscheiden, maar doordat de mest in de wei valt leidt dat niet tot veel ammoniakemissie (waar poep en urine niet bij elkaar komen, blijft de emissie laag). Die optie is bij Hoogendijk echter niet praktisch omdat bij deze percelen het vee dan altijd over de weg moet.

Echt niets meten?

Meten heeft heus zin. Ook bij Hoogendijk. Het voorwerk maakt experimenteel werk efficiënt. We gaan dit jaar heel gericht vers grasmonsters nemen en volgend jaar met enkele veldjes meten wat het RE gehalte is zonder bemesting. Dat zou moeten kloppen met de verwachtingenkaart.

Meer weten?

Mail of bel naar Koos Verloop (koos.verloop@wur.nl of 0317- 480525) of naar Dick Jan Koster (dj.koster@ppp-agro.nl of 06-23058194)

Ontwikkelteams trekken eigen plan

De ontwikkelteams rond de pilotbedrijven van Proeftuin Veenweiden zijn enthousiast van start gegaan. Was men tijdens de eerste bijeenkomst vooral nieuwsgierig naar de prestaties van ‘hun’ pilotbedrijf (hoeveel kg wil het pilotbedrijf aan ammoniak reduceren en op welke manier gaat hij dat doen?), nu stropen ze zelf de mouwen op!

Hoe sta je ervoor?

Bij de tweede bijeenkomst gaat het niet meer om het pilotbedrijf, maar over de individuele ondernemers en hun vraag: waar sta ik? Daarvoor gebruiken we de kringloopcijfers 2016 van alle deelnemers. Het blijft boeiend om te zien hoe divers de cijfers, de bedrijven en de ondernemers in de groep zijn. Door met elkaar te analyseren en de rekenregels na te gaan, krijgt elk bedrijf in beeld wat zijn sterke punten zijn en waar winst te halen is. Als huiswerk krijgt iedereen de opdracht mee om tijdens de volgende bijeenkomst aan de groep te presenteren hoe zij de 25% ammoniakreductie gaan realiseren.

Geen animo voor kalf-cadeau

Onze gastheer heeft al wel een idee om daar een begin mee te maken; tijdens de rondgang op zijn bedrijf toont hij ons een pasgeboren tweeling. “Gratis mee te nemen” is zijn aanbod, “daar wordt m’n kringloopwijzer alleen maar beter van”. Helaas voor hem gaat iedereen met een lege kofferbak naar huis…. Als melkveehouder moet je het nu eenmaal niet hebben van een overmaat aan dieren die wel voer vreten, maar geen melk geven. Dan is voor niets soms nog te veel!

Concreet plan

Diezelfde avond mailde een van de deelnemers zijn plan al. Hij had concreet in kaart gebracht hoe hij de ammoniakuitstoot op zijn bedrijf gaat reduceren:

  • Drijfmest uitrijden voor de 1e snede met 20% water, latere snedes met 40% water
  • Per dag 1 uur langer beweiden en als het even kan 20 dagen meer naar buiten
  • Jongveebezetting verlagen naar 5 stuks per 10 melkkoeien
  • Kunstmestgift voor de 1e snede verlagen naar 200 kg KAS zodat het RE-gehalte in het gras van de 1e snede ook lager wordt zonder dat dit ten koste gaat van opbrengst.

Volgens hem een plan waarmee hij de gewenste reductie aan ammoniakemissie gaat halen. De volgende bijeenkomst gaan we het narekenen!
Wordt vervolgd…

Tim van Noord, adviseur Proeftuin Veenweiden

Mijn naam is Tim van Noord, adviseur bij PPP-Agro Advies en begeleider van twee pilotboeren van Proeftuin Veenweiden én van hun ontwikkelteams. Lag de focus in het eerste jaar op de bedrijven van de pilotboeren, in dit tweede jaar van de Proeftuin trekken we het breder en gaan alle deelnemers op hun eigen bedrijf met maatregelen aan de slag gaan om ammoniakreductie te realiseren. Die uitdaging is voor elke melkveehouder weer anders, want elk bedrijf is anders.

Dat merk ik ook in de teams; tussen de deelnemers onderling zitten soms grote verschillen. En dat maakt het juist leuk want die diversiteit geeft ruimte om van elkaar te leren. Een ding hebben ze wel gemeen; ze willen meer inzicht in de resultaten op hun melkveebedrijf qua mineralenefficiëntie. Daarnaast willen ze weten wat ze beter kunnen doen en hoe!

De energie en het enthousiasme van de deelnemers maakt het ook voor mij erg leuk in mijn rol als begeleider. Samen met de groep denken in mogelijkheden, kansen en uitdagingen. En kritisch zijn op jezelf: waarom doet de één het zo en waarom doe ik het zelf eigenlijk altijd op deze manier op mijn bedrijf? Het uiteindelijke doel is 25% minder ammoniak emissie. Dat vraagt om aanpassing en verandering en dat is nog lang niet altijd eenvoudig. Maar de eerste en belangrijke stap daarvoor is gemaakt, en dat is bewustwording!

In 2017 gaan de deelnemers maatregelen toepassen en uittesten op hun eigen bedrijf, bijvoorbeeld door een ander type kunstmest te gaan gebruiken, mest verdunnen met water, meer weiden, minder jongvee en minder eiwit in het rantsoen.

Benieuwd naar de resultaten?? Ik ook!
Wordt zeker vervolgd.


Tim is begeleider van:

Met Kurzrasen 2 weken eerder weidegang

Langer weiden vermindert ammoniakemissie. In de proeftuin Veenweiden wordt kurzrasen vergeleken met stripgrazen. Dit voorjaar konden de koeien met kurzrasen 2 weken eerder naar buiten dan met stripgrazen. Met een veedichtheid van 7 koeien per ha en zonder bijvoeding van ruwvoeder op stal, konden de koeien eind maart maar net de grasgroei bijhouden. Een opmerkelijk resultaat.

Minder ammoniakemissie

De totale ammoniakemissie van melkveebedrijven vermindert aanzienlijk wanneer koeien langer in de wei lopen. Dat komt vooral doordat er minder mest wordt uitgereden. In modellen is berekend dat elk uur extra weidegang de ammoniakemissie vermindert met 3,3 gram per koe per jaar. Melkveebedrijven die veel weidegang toepassen realiseren daarmee een duidelijk lagere ammoniakuitstoot in de stal dan volgens de huidige RAV-normen.

Betere draagkracht en graskwaliteit

Door kort en intensief te beweiden kan mogelijk een dichte zode worden gecreëerd waardoor de draagkracht van de bodem verbetert. Daarnaast blijft gras in najaar door kort weiden smakelijker. Beide aspecten dragen bij aan een verlenging van het weideseizoen. In de Proeftuin Veenweiden wordt in 2017 in samenwerking met het project Amazing Grazing het zogenaamde ‘kurzrasen ’als beweidingssysteem vergeleken met stripgrazen. Hierbij is de hypothese dat koeien met kurzrasen langer kunnen weide dan bij stripgrazen. Kort weiden kan aan de andere kant aanleiding geven tot eiwitrijker gras en een hogere TAN in de drijfmest. Dit zorgt juist weer voor extra ammoniakemissie waardoor het voordeel van extra beweiden t.b.v. reductie van ammoniakemissie kleiner wordt. Via twee OEB niveaus in de bijvoeding (OEB+, OEB-) wordt dit aspect vergeleken. Daarnaast wordt gekeken of een lagere OEB in de bijvoeding aanleiding geeft tot een hogere opname van gras in de wei.

Meer weten?

Mail naar Nick van Eekeren (N.vanEekeren@Louisbolk.nl)

 

Proeftuin experimenteert met kunstmest

Op veengrond is KAS een gewaardeerde kunstmest die het eigenlijk altijd goed doet. Uit meerdere kunstmestproeven die o.a. op het KTC Zegveld zijn uitgevoerd, wordt dit bevestigd. Toch blijft de kunstmestindustrie zoeken naar kunstmestsoorten die een betere benutting en grasopbrengst geven dan het oude vertrouwde KAS. Ook bij pilotboeren van de Proeftuin was het dit voorjaar weer een punt van discussie welke kunstmestsoort het meest geschikt is.

Betere stikstofbenutting

Vanuit de Proeftuin zijn we zeer geïnteresseerd, omdat een betere benutting van stikstof door de bodem minder input vanuit kunstmest vereist en daarmee ook de uitstoot van ammoniak verlaagt. Daarnaast bevatten veel van de vloeibare kunstmestsoorten ureum. Ureum is niet direct opneembaar voor de plant en moet eerst nog omgezet worden. Tijdens deze omzetting kan gemakkelijk ammoniak ontstaan, vooral onder ongunstige omstandigheden als wind en droogte.

Experiment bij pilotboeren Arno Plomp en Jan Graveland

Arno Plomp wil onderzoeken wat de meerwaarde is van KAS zwavel ten opzichte van KAS en bij Jan Graveland worden meerdere typen kunstmest met elkaar vergeleken.

Arno Plomp

Regelmatig wordt KAS Zwavel gepromoot op veenweide-bedrijven ondanks de ruime voorziening van zwavel in de bodem. Stikstof met zwavel zou leiden tot een hogere grasopbrengst en betere stikstofbenutting. Met dit experiment willen we weten of dit ook echt zo is. Specifiek voor veengrond spelen er verder nog vragen of het extra zwavel wel goed is voor de koe (teveel zwavel verdringt o.a. koper) en welke invloed extra zwavel heeft op de mineralisatie (zwavel is in de bodem een katalysator maar spoelt ook gemakkelijk uit). Meer mineralisatie leidt immers tot een versnelde bodemdaling. In de proef bij Arno Plomp vergelijken we KAS met KAS zwavel op het gebied van opbrengst en stikstofbenutting.

Jan Graveland

Alle kunstmestsoorten bestaan in de basis uit één of een mengsel van de volgende vormen van stikstof: nitraat, ammonium of ureum. Nitraat werkt het snelst, ureum het langzaamst. KAS bestaat voor de helft uit ammonium en voor de helft uit nitraat. Een veelgehoord argument van verkopers is extra grasopbrengst bij gebruik van vloeibare meststoffen. Vloeibaar wordt echter meestal met een loonwerkersmachine toegediend, die netjes en ‘vierkant’ kunnen werken. Dit alleen kan al een verklaring zijn voor de meeropbrengst van vloeibaar ten opzichte van korrels.

Veel belangstelling voor themamiddag mesttoedienen per 2018

Er moesten flink wat stoelen bij om de ruim 75 geïnteresseerden een plek te kunnen geven in de zaal. Het verbod op de sleepvoet per 2018 leeft duidelijk onder de melkveehouders en loonwerkers. Kernboodschap van de themamiddag van de Proeftuin Veenweiden was dat de sleepvoet kan blijven bestaan door de mest – aantoonbaar – voldoende te verdunnen.

Snel ruwvoer telen? Kunstmest delen!

De bemestingsnormen zijn scherp en kunstmest kost geld. Alle reden om het maximale uit de meststoffen te willen halen en deze zo goed mogelijk te benutten. Dat betekent op het juiste moment bemesten. Maar wanneer is dat dan eigenlijk?

Bodemtemperatuur en grasgroei

Bemest wanneer het gras er ook wat mee kan. Zolang het gras niet groeit, is het weinig zinvol om te bemesten. Het gras kan er niks mee en er is een grote kans op verliezen. Hierbij geldt dat bij een bodemtemperatuur van rond de 8 graden het gras actief wordt en voedingstoffen op zal nemen. Daarom is bemesten pas zinvol vanaf een bodemtemperatuur vanaf 8 graden. Een andere invalshoek is dat kunstmest het gras aanzet tot groeien. In dat geval wacht je niet met bemesten tot het gras begint te groeien, maar laat je gras beginnen te groeien door het te bemesten.

Experiment Proeftuin Veenweiden

Om hier meer inzicht in te krijgen, is binnen Proeftuin Veenweiden is een klein experiment op een van de deelnemende melkveebedrijven uitgevoerd. Daarbij is de bodemtemperatuur en de grashoogte gemeten op percelen met en zonder kunstmest. Op de percelen met kunstmest is op 18 februari een gift van omgerekend 20 kg N per ha gebracht. In onderstaande figuur staan de bodemtemperatuur en grashoogtes van deze percelen weergegeven.

bodemtemperatuur x grashoogtes

Vroege start

In bovenstaande figuur is te zien dat ondanks het feit dat de bodemtemperatuur op 10 cm diepte nog niet boven de 8 graden is geweest, het gras tóch begint te groeien. En op de percelen met een kleine kunstmestgift begint die grasgroei al eerder dan op de percelen zonder mest. Door de vlottere start stond er half maart op het veld met kunstmest ruim 2 cm meer gras; dat is zo’n 200 kg droge stof per ha. Een bedrijf met 50 ha grasland zou hierdoor dus al 10 ton droge stof meer gras kunnen hebben.

Gedeelde gift

Op basis van bovenstaande gegevens lijkt het erop dat de start van de grasgroei kan worden versneld door een vroege (kunst)mestgift. Het nadeel van het vroeg toedienen van meststoffen is de grotere kans op verliezen waardoor de uiteindelijke grasopbrengst weer kan tegenvallen. Een gedeelde mestgift kan hierbij uitkomst bieden. Een kleine gift om de grasgroei op gang te brengen en het merendeel later in het seizoen bij een T-som van ongeveer 300 graden. Zo behaal je een hoge benutting en een vroege start.

Proef

Hoewel het een klein experiment was, geeft een indicatie van wat mogelijk is. Op dit moment wordt het effect van verschillende bemestingsmomenten onderzocht op het KTC in Zegveld. We kijken uit naar de resultaten.