Experiment voor het beste maaimoment

Melkveehouder Mattias Verhoef uit Brandwijk heeft de eerste snede inmiddels al weer even onder het plastic zitten. Als een van de 10 pilotboeren in de Proeftuin Veenweiden probeert hij met meer weidegang en een optimaal rantsoen de ammoniak uitstoot op zijn bedrijf met 25% te verminderen. Maar voor een optimaal rantsoen is de juiste kwaliteit kuilgras wel essentieel.

Experiment bij pilotboer Mattias Verhoef

Om meer zicht te krijgen op het juiste maaimoment is ook bij Mattias een experiment opgezet. Drie weken achter elkaar werden in zijn maaipercelen de opbrengst en gehalten gemeten van het verse gras. In onderstaande tabel staan de uitslagen van de analyses. In dit geval letten we vooral op de hoeveel eiwit in het gras en de vorm van dit eiwit.

Tabel: Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

DVE/OEB

Voor een maximale benutting van eiwit uit het gras moet het gras ook over de juiste vorm van eiwit beschikken. Hierbij moet de verhouding tussen de onbestendig eiwit balans (OEB) en darm verteerbaar eiwit (DVE) in balans zijn. Voor deze DVE : OEB verhouding geldt een optimum van 9 : 1 in het rantsoen. Met een lagere verhouding kan de pens niet optimaal werken doordat er teveel onbestendig eiwit is ten opzichte van energie. Dit kan niet allemaal worden benut en dat leidt tot stikstof verliezen en een hogere ammoniak uitstoot. Als de verhouding te hoog is (een tekort aan onbestendig eiwit t.o.v. energie) kan de pens het rantsoen niet goed omzetten en komt de melkproductie onder druk te staan.

Koude nachten en zonnige dagen

Zoals in de analyses is te zien, is de verhouding tussen DVE en OEB eind april 22,5 : 1. Dit komt omdat het gras traag gegroeid is door de kou, waardoor stikstof uit de bodem en de mest langzaam beschikbaar komt. Daarnaast is het suikergehalte in het gras erg hoog wat resulteert in een lagere OEB. Het hoge suikergehalte komt door een combinatie van zonnige dagen (veel suikervorming) en koude nachten (weinig suikeromzetting).

Pilotboer Verhoef, Brandwijk

Warme dagen, snelle grasgroei

Na 28 april wordt het snel warmer, het gras staat in de startblokken en schiet nu de grond uit. Doordat de stikstof uit mest en bodem in deze warme week goed beschikbaar komt voor de plant kan eiwit worden gevormd. Dit eiwit bestaat met name uit onbestendig eiwit, wat resulteert in een verhouding tussen DVE en OEB van 4,3 : 1! Duidelijk te laag dus.

Veel gras, weinig eiwit

Door de afname van het eiwitgehalte neemt ook het gehalte aan DVE en OEB af. Hierdoor komt de verhouding tussen DVE en OEB op 17,5 : 1. Nu niet meer vanwege een overmaat aan snelle energie maar vooral door een tekort aan onbestendig eiwit. De snelle grasgroei zorgt wel voor veel gras maar niet voor het beste gras voor wat betreft het eiwit.

Wanneer maaien?

Als we naar de verhouding tussen DVE en OEB kijken is het niet eenvoudig om het juiste maaimoment te bepalen. Terwijl we een eind april nog te veel snelle energie hebben, slaat dit een week later om naar een overmaat aan onbestendig eiwit. De snelle grasgroei vanaf dat moment zorgt binnen een week alweer voor een tekort aan eiwit in het gras voor een optimaal rantsoen.

De les:

Het mag duidelijk zijn dat het moment van maaien een ontzettend groot effect heeft op de kwaliteit van het gras dat wordt geoogst. Naarmate het rantsoen voor een groter deel uit (eigen) gras bestaat is het belang van de verhouding DVE/OEB belangrijker omdat dit minder door aangekocht ruwvoer (bijvoorbeeld snijmais) gecorrigeerd kan worden. Uit dit experiment blijkt dat de wisselende temperaturen het extra moeilijk maakten om op de DVE/OEB verhouding te sturen.

Hoe pakt deze verhouding voor uw graskuil uit?

Experiment mest verdunnen in het voorjaar

Bij twee pilotboeren, Jaap Schep en Wouter Beukeboom van Proeftuin Veenweiden zijn oriënterende experimenten gedaan met verschillende verdunningen van drijfmest in het voorjaar. Het doel was om het effect van mestverdunning te meten op grasopbrengst en grassamenstelling.

De les tot nu toe

Verdunnen bij het aanwenden van drijfmest in het voorjaar levert extra gras op, maar het vochtgehalte van de bodem in combinatie met (veel) neerslag vlak na aanwending kunnen het effect van verdunnen tenietdoen door afspoeling.

pilotbedrijf Schep: Mestverdunning en mest uitrijden

Bij Jaap Schep is 14 ha grasland, in 3 blokken verdeeld. Op elk blok is de drijfmest in verschillende mate gemengd met water. Op 13 maart is drijfmest uitgereden (ongeveer 30 kuub per ha) in 3 verschillende verdunningen:

  • 1 mest : 1 water
  • 2 mest : 1 water
  • 3 mest : 1 water

Op 28 april is de eerste snede geoogst en zijn er monsters genomen van het verse gras.
In onderstaande tabel de resultaten.

Tabel bedrijf Schep: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Tabel bedrijf Schep: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Wat zien we?

  • Hoogste droge stof opbrengst bij 2 mest en 1 water
  • Hoogste ruw eiwit opbrengst ook bij 2 mest en 1 water
  • Verdunning van 3 mest en 1 water blijft duidelijk achter voor wat betreft opbrengst in kg ds en ruw eiwit.

Soms gaat het mis…

Dat je ook te ver kunt gaan met verdunnen bleek duidelijk uit het experiment bij Wouter Beukeboom. Op 21 februari is op alle percelen al drijfmest aangewend. In het kader van de proef heeft ook Wouter 3 blokken van in totaal 15 ha met verschillende verdunningen bemest (zijn onderstaande tabel). In de twee dagen na 21 februari kwam er 18 en 15 mm regen naar beneden! Dat had afspoeling van de drijfmest tot gevolg, met name van de percelen met de hoogste verdunning. Dit is in onderstaande tabel duidelijk te zien.

Tabel bedrijf Beukeboom: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Tabel bedrijf Beukeboom: Mestverdunning, grasopbrengst en samenstelling vers gras

Wat zien we?

  • Maximale verdunning geeft lagere opbrengst
  • Verdunning van 2,22 : 1 geeft hoogste opbrengst aan kg droge stof als ook aan totale kg ruw eiwit per ha.
  • Bij lage verdunning (3,8 : 1) is opbrengst duidelijk hoger, maar gehalte aan ruw eiwit blijft achter ten opzichte van hogere verdunningen.

Pilotboer Beukeboom - Mest uitrijden

Vervolg:

  • Voor de tweede snede wordt een zelfde experiment uitgevoerd om te zien welk effect het verdunnen van mest heeft verderop in het groeiseizoen.
  • Er wordt een nieuwsbericht voorbereid waarin we de kosten en baten van verdunnen tegen elkaar afwegen. Wat kost extra verdunnen van drijfmest en wat levert het op?

Wanneer maaien?

De eerste snede gras is de belangrijkste in de voederwinning. Het moet allemaal kloppen, want daarmee wordt de basis gelegd voor de wintervoorraad. De deelnemers aan de Proeftuin Veenweiden krijgen er nog een extra uitdaging bij: het verlagen van de NH3-emissie!

Een belangrijke bron van ammoniakemissie is een overdaad aan eiwit in het rantsoen. Door het rantsoen te optimaliseren wordt de emissie in de stal, maar ook bij de aanwending minder. Bedrijven met snijmaïs kunnen het rantsoen eenvoudiger bijsturen en daarmee optimaliseren. Echter, in de veenweiden krijgen de melkkoeien veel gras in het rantsoen. Daarmee wordt de graswinning cruciaal in de verlaging van de ammoniakemissie en dan met name het maaimoment.

Maaimoment

Wordt er te vroeg gemaaid, dan is de kans groot dat er een overmaat aan eiwit in het rantsoen komt, wat leidt tot een hogere NH3 – emissie. Als een bedrijf een forse hoeveelheid gras in het rantsoen heeft (> 30%) is het daarom aan te raden om later (= grover) te maaien, zodat de kuil meer ruwe celstof bevat en een mindere overmaat aan eiwit voor een evenwichtig rantsoen.

Experiment bij pilotboer Jan Christiaan Anker

Om meer zicht te krijgen op het juiste maaimoment is een oriënterend experiment opgezet bij Jan Christiaan Anker. Drie weken achter elkaar werden in zijn maaipercelen de opbrengst en gehalten gemeten van het verse gras. In onderstaande tabel staan de uitslagen van de analyses.

De voorjaarsbemesting bestond uit 35 kuub drijfmest en 60 kg N in de vorm van N-xt.

Tabel: Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

Analyse gegevens van 3 vers gras monsters

 Wat zien we?

  • Tot 20 april is het gras erg hard gegroeid, de week erna viel het behoorlijk stil door de lage temperaturen en de laatste week zette de groei weer sterk door. Bijzonder is wel dat het droge stof gehalte naar beneden schiet. Hiermee kun je je wel verkijken op een gewas.
  • Het gehalte aan ruweiwit heeft geen duidelijke lijn. Verwacht zou worden dat bij de sterke groei in de laatste week, het gehalte aan ruweiwit flink zou dalen. Dit blijkt niet het geval. Blijkbaar kwam de stikstof uit mest en bodem in deze warme week goed beschikbaar voor de plant, wat leidde tot extra eiwitvorming.
  • Het ruwe celstof gehalte heeft wel een consistente lijn omhoog, doordat er gaandeweg meer stengel wordt gevormd in verhouding tot bladeren. Dit is terug te zien in de VEM waardes die wekelijks afnamen.

Wanneer maaien?

Al met al heeft Jan Christiaan een fraaie kuil weten te maken, zij het enigszins geholpen door het weer. Hij was van plan om de 26e april te gaan maaien, maar stelde het vanwege het onstabiele weer een weekje uit. Daardoor kwam hij rond 3 mei uit en heeft daarmee nog ruim 1.000 kg ds gras per ha extra weten te oogsten met daarbij een hoger gehalte aan ruweiwit.

De vraag is nu of het beter zou zijn geweest om toch de 26e te gaan maaien? Wat zouden de consequenties daarvan zijn op het rantsoen, ammoniak, rendement, etc. We hebben met dit experiment handvatten om te kunnen rekenen.

En wat denkt u als u deze cijfers ziet? Hoe kijkt u terug op uw moment van maaien?

Maatregelen met breed effect

In Proeftuin Veenweiden werken melkveehouders en adviseurs nauw samen aan de thema’s ammoniakemissie, waterkwaliteit, broeikasgasemissies en bodemdaling. Daarbij ligt de focus in eerste instantie op maatregelen om de ammoniakemissie te verminderen. Om vervolgens te onderzoeken welke effecten de maatregelen hebben voor de andere thema’s. En dan juist díe maatregelen te kiezen die ook nog een bijdrage leveren aan een of meer van de andere drie thema’s.

Maatregelen inventariseren en doorrekenen

We hebben diverse maatregelen geïnventariseerd en doorgerekend op effectiviteit qua reductie van de ammoniakemissie. Vervolgens is gekeken wat het effect is van de verschillende maatregelen op waterkwaliteit, bodemdaling en broeikasgasemissies. In tabel 1 zijn de effecten kwalitatief weergegeven. Een ‘+’ is dan een positief (wenselijk) effect en een ‘-‘ is een ongewenst effect. De doorgerekende maatregelen hebben sowieso allemaal een gunstig effect op de ammoniakemissie. Dat is ook de basis voor de keus van de maatregelen. Een aantal effecten en maatregelen wordt nader benoemd. Een eerste inschatting is dat verschillende managementmaatregelen ook economisch gunstig zijn, maar daarover een volgende keer meer informatie.

Wat weten we nu?

  • Geen negatief effect voor bodemdaling
    De effecten op de bodemdaling zijn niet in de tabel weergegeven. Geen van de maatregelen heeft een negatief effect op bodemdaling. Maar één maatregel is uitermate gunstig met het oog op bodemdaling.
  • Onderwaterdrainage: over de hele linie positief
    En dat is onderwaterdrainage: 50-75% minder bodemdaling en eenzelfde vermindering van emissies van broeikasgassen. Oorzaak: minder veenoxidatie door hogere grondwaterstanden in de zomer. Onderwaterdrainage is zelfs over de hele linie positief: er is er sprake van iets minder ammoniakemissie en ook een lager stikstofoverschot in de bodem. Het oorzakelijk verband heeft te maken met verbetering van de efficiëntie. Er is minder kunstmest nodig, de kwaliteit van het gras verbetert, de krachtvoergift kan dalen en de koeien kunnen langer weiden.
  • Verdund uitrijden van mest erg perspectiefvol
    Door meer dan 1/3 water t.o.v. mest toe te voegen bij de bemesting met drijfmest, daalt de ammoniakemissie. Hierdoor komt meer stikstof voor de plant beschikbaar en blijft bij droogte de vochtvoorziening beter op peil. Hierdoor is meer gewas te oogsten en kan zelfs op kunstmest bespaard worden. Dit is ook gunstig voor de waterkwaliteit en leidt tot minder energiegebruik (en dus minder broeikasgasemissies). Maar bij bedrijven die mais voeren, leidt deze maatregel tot minder mais bijvoeren. Dit kan juist leiden tot meer methaanemissie en dus een mogelijke stijging van de broeikasgasemissies.
  • Weidegang heeft ook aandachtspunten
    Ook meer weidegang leidt tot minder ammoniakemissie. Maar weidegang leidt veelal wel tot een hoger stikstofoverschot. En daarmee ontstaat een risico voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. De broeikasgasemissie kan stijgen doordat meer lachgas (een sterk broeikasgas) kan ontstaan bij weidegang. s. Aan de andere kant kan weidegang leiden tot vervanging van graskuil door weidegras en/of door maiskuil. Hierdoor kan de methaanemissie (ook een broeikasgas) gaan dalen. Daardoor zou de totale broeikasgasemissie weer kunnen dalen. Dit laatste is eerder aan de orde bij intensievere bedrijven dan bij extensieve bedrijven.

Tabel 1: Effect van verschillende maatregelen op de daling van de ammoniakemissie, daling van het stikstofbodemoverschot (als indicator voor de oppervlaktewaterkwaliteit) en de daling van de broeikasgasemissies. ‘+’ is een positief effect; ‘0’ betekent geen effect; ‘-‘ betekent een negatief effect; ‘+/-‘ betekent dat het effect in sommige gevallen positief uit kan pakken en in andere gevallen juist licht negatief.

Effect maatregelen op daling ammoniakemissie, stikstofbodemoverschot en broeikasgasemissies

1 het betreft alleen een kwalitatieve inschatting op het effect, hierin zijn geen kosten meegenomen

Meer weten?

Neem contact op met Michel de Haan (michel.dehaan@wur.nl) of Leo Joosten (joosten@org-id.org)

Mest-app in ontwikkeling

Bij drogende weersomstandigheden neemt de ammoniakemissie bij het uitrijden van mest toe. Denk hierbij aan een hogere windsnelheid, een hogere luchttemperatuur, meer zonnestraling of een lagere relatieve luchtvochtigheid. Kun je door rekening te houden met de weersomstandigheden de ammoniakemissie verminderen? Proeftuin Veenweiden ontwikkelt op dit moment een app waarmee melkveehouders/loonwerkers vaker onder ‘niet drogende omstandigheden’ de mest uitrijden. Want dat zorgt voor minder ammoniakemissies!

Anticiperen op het weer om emissiearm mest uit te rijden

De app geeft deelnemende boeren in het veenweide gebied een zeer globale inschatting van de te verwachten emissies bij het mest uitrijden. De app is een eenvoudige variant op het huidige wetenschappelijke ALFAM model. Daarin zijn namelijk slechts twee parameters meegenomen: windsnelheid & temperatuur. Daarnaast is het met het ALFAM emissiemodel niet mogelijk om nauwkeurig te voorspellen wat de emissie is op een specifiek moment van de dag. Onder andere omdat het model geen rekening houdt met veranderende weersomstandigheden na het moment van uitrijden.

emissie arm mest uitrijden schema

De gemiddelde omstandigheden zijn 15.2 C en 3.4 m/s.

Via de app zijn ook de mestgiftmomenten vast te leggen. Met deze data kan Wageningen University & Research achteraf – via een geavanceerder model dat eind 2017 beschikbaar komt – werken aan een betere voorspelling van de emissies tijdens het mest uitrijden. Dit onderzoek zal de basis vormen voor een verbeterde versie van de app in 2018.

We nemen grasmonsters!

De afgelopen weken zijn volop vers-gras-monsters genomen voor de experimenten bij de pilotboeren van Proeftuin Veenweiden. Dit moest gebeuren voor de proeven met de verschillende verdunning van drijfmest, de keuze van het maaimoment en het gebruik van verschillende soorten kunstmest. Hiervoor is zowel een opbrengstmeting nodig (kg ds / ha) als een analyse (VEM, re).

Met een houten frame van 0,5 bij 0,5 meter, een knipschaar, emmer en plastic zakken zijn de grasmonsters genomen. Per proefveld knippen we op 4 plaatsen. Het houten frame gooien we daarvoor willekeurig ergens in het land om niet te sturen op welke plaats we meten.

De eerste metingen waren voor Jan Christiaan Anker:

  • 20 april: opbrengst 3.700 kg ds / ha met 209 ruw eiwit
  • 26 april: opbrengst 3.900 kg ds / ha met 192 ruw eiwit

De week erna heeft hij werkelijk gemaaid; dat monster is nog onderweg.

Metingen

Jan Christiaan - grasopbrenst

Jan Christiaan, maaimoment Grasopbrengst 20/4: 3.700 kg ds per ha

Mineralisatie op de kaart bij Bartlo Hoogendijk

Bartlo Hoogendijk, pilotboer in Proeftuin Veenweiden, wil een goed beeld hebben van de bodemmineralisatie bij verschillende percelen op zijn bedrijf. Door mineralisatie, afbraak van organische stof, komen stikstof en fosfaat beschikbaar voor het gras. Bartlo wil hier op inspelen bij bemesting van zijn land. Waar de mineralisatie hoog is, levert de bodem van nature veel stikstof en is dus minder mest nodig, is de gedachte. Daarom maken we met Bartlo een mineralisatiekaart van zijn bedrijf.

Mineralisatie op de kaart bij Bartlo HoogendijkMineralisatie, voer en ammoniakemissie

Proeftuin Veenweiden heeft als doel om ammoniakemissie te verlagen. Ammoniak vliegt de lucht in. Dus waarom houden we ons dan bezig met mineralisatie in de bodem? Op een melkveebedrijf hangen bodem, gras en voer, vee en mest sterk met elkaar samen. Ammoniakemissie neemt toe naarmate veevoer meer eiwit (RE) bevat. Het is dus belangrijk dat het RE gehalte in het voer niet te ver op loopt. Het streven bij Hoogendijk is om het RE gehalte in het totale rantsoen te beperken tot 155. Daarbij past een RE gehalte in graskuil van niet meer dan 160-170. Dit is hoger dan 155 maar andere componenten in het rantsoen, zoals maïs, kunnen dit compenseren. Op veenbedrijven is het RE gehalte in gras vaak hoog (hoger dan 180, vooral in de nazomer) door mineralisatie die voor een flinke ‘bemesting uit de bodem zorgt.’ Om een graskuil te winnen met RE 160 moet je weten waar de mineralisatie hoog is en waar de bemesting dus lager kan zijn.

Meten of weten?

Er wordt heel wat afgemeten in de bodem, ook in de Proeftuin. Bij Bartlo werken we juist met de kennis die al beschikbaar is. Op basis van inzichten van hemzelf en van de begeleiders hebben we een ‘verwachtingenkaart’ gemaakt van de mineralisatie op het bedrijf. Daarbij is eerst een indeling gemaakt in mineralisatieniveaus laag, gemiddeld en hoog. Om die kaart te maken, hebben we gekeken naar factoren die de mineralisatie beïnvloeden. Waar warmt de bodem het snelst op? Daar zal de mineralisatie hoger zijn dan op percelen waar de bodem langer nat blijft. Er zijn prima kaarten van de hoogteligging van percelen waar je in combinatie met het slootpeil al veel uit kunt halen. Waar is de pH hoog en waar laag? De mineralisatie gaat sneller bij hogere pH. Ook het organisch stofgehalte is van belang en het landgebruik in het verleden. Ooit heeft Hoogendijk op enkele percelen maïs geteeld. Dat heeft mogelijk nog invloed. Tenslotte zijn we nagegaan waar wel eens stikstof- en of fosfaatgebrek in het gras te zien is. Door die informatie te combineren, is in twee uur een beeld ontstaan.

Op de kaart en nu?

Bartlo wil experimenteren met variërende (lagere) kunstmestgiften in de 3e en 4e snede. Dat wordt dit jaar het belangrijkste experiment in de bedrijfsvoering. Volgend jaar kan hij de mineralisatiekaart ook gebruiken om in de eerste gift al verschillen te maken. Een mogelijkheid is ook om vee bij uitstek te gaan weiden op percelen met een hoge mineralisatie. Bij het weiden op deze percelen neemt het vee veel RE op en zal dus ook veel ammoniak in mest uitscheiden, maar doordat de mest in de wei valt leidt dat niet tot veel ammoniakemissie (waar poep en urine niet bij elkaar komen, blijft de emissie laag). Die optie is bij Hoogendijk echter niet praktisch omdat bij deze percelen het vee dan altijd over de weg moet.

Echt niets meten?

Meten heeft heus zin. Ook bij Hoogendijk. Het voorwerk maakt experimenteel werk efficiënt. We gaan dit jaar heel gericht vers grasmonsters nemen en volgend jaar met enkele veldjes meten wat het RE gehalte is zonder bemesting. Dat zou moeten kloppen met de verwachtingenkaart.

Meer weten?

Mail of bel naar Koos Verloop (koos.verloop@wur.nl of 0317- 480525) of naar Dick Jan Koster (dj.koster@ppp-agro.nl of 06-23058194)

Ontwikkelteams trekken eigen plan

De ontwikkelteams rond de pilotbedrijven van Proeftuin Veenweiden zijn enthousiast van start gegaan. Was men tijdens de eerste bijeenkomst vooral nieuwsgierig naar de prestaties van ‘hun’ pilotbedrijf (hoeveel kg wil het pilotbedrijf aan ammoniak reduceren en op welke manier gaat hij dat doen?), nu stropen ze zelf de mouwen op!

Hoe sta je ervoor?

Bij de tweede bijeenkomst gaat het niet meer om het pilotbedrijf, maar over de individuele ondernemers en hun vraag: waar sta ik? Daarvoor gebruiken we de kringloopcijfers 2016 van alle deelnemers. Het blijft boeiend om te zien hoe divers de cijfers, de bedrijven en de ondernemers in de groep zijn. Door met elkaar te analyseren en de rekenregels na te gaan, krijgt elk bedrijf in beeld wat zijn sterke punten zijn en waar winst te halen is. Als huiswerk krijgt iedereen de opdracht mee om tijdens de volgende bijeenkomst aan de groep te presenteren hoe zij de 25% ammoniakreductie gaan realiseren.

Geen animo voor kalf-cadeau

Onze gastheer heeft al wel een idee om daar een begin mee te maken; tijdens de rondgang op zijn bedrijf toont hij ons een pasgeboren tweeling. “Gratis mee te nemen” is zijn aanbod, “daar wordt m’n kringloopwijzer alleen maar beter van”. Helaas voor hem gaat iedereen met een lege kofferbak naar huis…. Als melkveehouder moet je het nu eenmaal niet hebben van een overmaat aan dieren die wel voer vreten, maar geen melk geven. Dan is voor niets soms nog te veel!

Concreet plan

Diezelfde avond mailde een van de deelnemers zijn plan al. Hij had concreet in kaart gebracht hoe hij de ammoniakuitstoot op zijn bedrijf gaat reduceren:

  • Drijfmest uitrijden voor de 1e snede met 20% water, latere snedes met 40% water
  • Per dag 1 uur langer beweiden en als het even kan 20 dagen meer naar buiten
  • Jongveebezetting verlagen naar 5 stuks per 10 melkkoeien
  • Kunstmestgift voor de 1e snede verlagen naar 200 kg KAS zodat het RE-gehalte in het gras van de 1e snede ook lager wordt zonder dat dit ten koste gaat van opbrengst.

Volgens hem een plan waarmee hij de gewenste reductie aan ammoniakemissie gaat halen. De volgende bijeenkomst gaan we het narekenen!
Wordt vervolgd…

Tim van Noord, adviseur Proeftuin Veenweiden

Mijn naam is Tim van Noord, adviseur bij PPP-Agro Advies en begeleider van twee pilotboeren van Proeftuin Veenweiden én van hun ontwikkelteams. Lag de focus in het eerste jaar op de bedrijven van de pilotboeren, in dit tweede jaar van de Proeftuin trekken we het breder en gaan alle deelnemers op hun eigen bedrijf met maatregelen aan de slag gaan om ammoniakreductie te realiseren. Die uitdaging is voor elke melkveehouder weer anders, want elk bedrijf is anders.

Dat merk ik ook in de teams; tussen de deelnemers onderling zitten soms grote verschillen. En dat maakt het juist leuk want die diversiteit geeft ruimte om van elkaar te leren. Een ding hebben ze wel gemeen; ze willen meer inzicht in de resultaten op hun melkveebedrijf qua mineralenefficiëntie. Daarnaast willen ze weten wat ze beter kunnen doen en hoe!

De energie en het enthousiasme van de deelnemers maakt het ook voor mij erg leuk in mijn rol als begeleider. Samen met de groep denken in mogelijkheden, kansen en uitdagingen. En kritisch zijn op jezelf: waarom doet de één het zo en waarom doe ik het zelf eigenlijk altijd op deze manier op mijn bedrijf? Het uiteindelijke doel is 25% minder ammoniak emissie. Dat vraagt om aanpassing en verandering en dat is nog lang niet altijd eenvoudig. Maar de eerste en belangrijke stap daarvoor is gemaakt, en dat is bewustwording!

In 2017 gaan de deelnemers maatregelen toepassen en uittesten op hun eigen bedrijf, bijvoorbeeld door een ander type kunstmest te gaan gebruiken, mest verdunnen met water, meer weiden, minder jongvee en minder eiwit in het rantsoen.

Benieuwd naar de resultaten?? Ik ook!
Wordt zeker vervolgd.


Tim is begeleider van:

Met Kurzrasen 2 weken eerder weidegang

Langer weiden vermindert ammoniakemissie. In de proeftuin Veenweiden wordt kurzrasen vergeleken met stripgrazen. Dit voorjaar konden de koeien met kurzrasen 2 weken eerder naar buiten dan met stripgrazen. Met een veedichtheid van 7 koeien per ha en zonder bijvoeding van ruwvoeder op stal, konden de koeien eind maart maar net de grasgroei bijhouden. Een opmerkelijk resultaat.

Minder ammoniakemissie

De totale ammoniakemissie van melkveebedrijven vermindert aanzienlijk wanneer koeien langer in de wei lopen. Dat komt vooral doordat er minder mest wordt uitgereden. In modellen is berekend dat elk uur extra weidegang de ammoniakemissie vermindert met 3,3 gram per koe per jaar. Melkveebedrijven die veel weidegang toepassen realiseren daarmee een duidelijk lagere ammoniakuitstoot in de stal dan volgens de huidige RAV-normen.

Betere draagkracht en graskwaliteit

Door kort en intensief te beweiden kan mogelijk een dichte zode worden gecreëerd waardoor de draagkracht van de bodem verbetert. Daarnaast blijft gras in najaar door kort weiden smakelijker. Beide aspecten dragen bij aan een verlenging van het weideseizoen. In de Proeftuin Veenweiden wordt in 2017 in samenwerking met het project Amazing Grazing het zogenaamde ‘kurzrasen ’als beweidingssysteem vergeleken met stripgrazen. Hierbij is de hypothese dat koeien met kurzrasen langer kunnen weide dan bij stripgrazen. Kort weiden kan aan de andere kant aanleiding geven tot eiwitrijker gras en een hogere TAN in de drijfmest. Dit zorgt juist weer voor extra ammoniakemissie waardoor het voordeel van extra beweiden t.b.v. reductie van ammoniakemissie kleiner wordt. Via twee OEB niveaus in de bijvoeding (OEB+, OEB-) wordt dit aspect vergeleken. Daarnaast wordt gekeken of een lagere OEB in de bijvoeding aanleiding geeft tot een hogere opname van gras in de wei.

Meer weten?

Mail naar Nick van Eekeren (N.vanEekeren@Louisbolk.nl)