4 oktober: Boeren-Vakdag over mest, voer, onderwaterdrainage, kruiden en meer

Proeftuin Veenweiden organiseert samen met partners op 4 oktober een Boeren Vakdag. Er komt veel op de sector af; wat kunnen we van elkaar leren om ook nog steeds ‘gewoon lekker te boeren’? Op het VIC in Zegveld is op de 4e veel te zien, doen en horen over van alles wat met boeren te maken heeft. In een presentatieronde in de ochtend en doorlopend programma in de middag. Een demo rondom de laatste stand van zaken van toegestane bemesters in 2019 op klei en veengrond en een kennismarkt over actuele thema’s vormen de rode draad van het programma.

Het volledige programma voor deze dag volgt op korte termijn.

 


Datum: 4 oktober

Tijd: van 10.00 tot 15.00, doorlopend programma

Meer informatie volgt.

Locatie: Proefboerderij Zegveld, Oude Meije 18, 3437 KM Zegveld

Kennis Transfer Centrum Zegveld

Eigentijds Voeradvies

Bovenstaande kop was de ondertitel van de presentatie gehouden op een drietal avonden georganiseerd door de Proeftuin Veenweiden, waaraan ook Friesland Campina een bijdrage leverde.

De aanleiding is de actualiteit rondom het verlagen van de ammoniakemissie in de veengebieden, de nieuwe regels rondom grondgebondenheid en eiwit van eigen land, het broeikasgasvraagstuk en de vaststelling dat managementmaatregelen soms op het ene onderwerp een positief effect hebben en op het andere onderwerp een negatief effect. Dan is de vraag: Hoe vinden we de balans en hoe zorgen we ervoor dat we alle punten samen brengen? Onder eigentijds voeradvies verstaan wij een advies gericht op een gezonde koe waarbij rekening wordt gehouden met de eerder genoemde onderwerpen. En dan is het meestal niet mogelijk om overal een 10 op te scoren, maar kan het verstandiger zijn om voor gemiddeld een 7/8 te gaan.

Allereerst is een goede eiwitbenutting van groot belang. Aandachtspunt daarbij is het getal RE/kVEM wat u kunt vinden op het voedingsoverzicht in de Kringloopwijzer. Met name bij weidegras liggen hier kansen en mogelijkheden. Speerpunt hierbij is: energie, energie en nog eens energie voeren. Zorg ervoor dat u mogelijkheden heeft om op energie en eiwit te sturen. Met andere woorden: een goede benutting van het ruwvoer dat u zelf op het erf heeft. Onze stelling is: Gras, het groene goud! Maar om dat goud te laten blinken is het wel nodig om actief met bemesting en rantsoensamenstelling bezig te zijn. Een lager ruw eiwit in het rantsoen heeft een positief effect op ammoniakemissie, % eiwit van eigen land en methaanemissie. Minder jongvee houden is ook positief op deze punten.

Een nieuw onderwerp wat gaat spelen is de beperking van de uitstoot van broeikasgassen, n.l. koolstofdioxine, lachgas en methaan. Deze verschillende broeikasgassen worden met elkaar vergeleken door om te rekenen naar CO2-equivalenten. Nu nog een vrij onbekend woord, maar dat gaat snel veranderen. Ook de landbouw krijgt in de klimaatonderhandelingen een opdracht. Bij het fermentatieproces in de pens van een koe wordt er methaan geproduceerd. Met het gericht inzetten van voedermiddelen is het mogelijk om dit te reduceren, terwijl we ook moeten accepteren dat dit nu eenmaal een natuurlijk proces bij een herkauwer is. Even voor uw beeld: een grasrantsoen met een vrij grove kuil geeft meer methaanemissie dat een rantsoen met een groot aandeel snijmais en pittig gras. Ook hier moeten we met elkaar de balans zien te vinden voor een gezond rantsoen met ruwvoercomponenten die op het bedrijf aanwezig zijn.

De Samenwerking wil zich actief inzetten om in de komende tijd met u van gedachten te wisselen. Eenvoudig zal het niet zijn, omdat het complex is en het met elkaar zoeken is naar balans. En die is op elk bedrijf anders. Dat is uw, onze en onze gezamenlijke uitdaging!

Dirk van den Heuvel, De Samenwerking

De Samenwerking

BLOG: Belonen van prestaties

Proeftuin Veenweiden werkt aan beloningsmaatregelen voor melkveehouders die hun ammoniak-emissie reduceren. Dan gaat het o.a. om een gebiedsgerichte aanpak om de depositie op verzuringgevoelige natuurgebieden te reduceren. En waarbij de individuele resultaten van bedrijven gezamenlijk optellen tot op gebiedsniveau. Hoe zou zo’n gebiedsbenadering kunnen werken?

Emissie en depositie

Uiteindelijk hebben alle inspanningen om de ammoniakemissie te reduceren als belangrijkste doel de verzuring van natuurterreinen te verminderen. Emissiereductie om depositie te verminderen. Hoe dichter bij een verzuringgevoelig natuurgebied die emissie plaatsvindt, hoe groter de depositie. Het is dan ook heel effectief om dicht bij zo’n verzuringgevoelig gebied, zoveel mogelijk emissiebeperkende maatregelen in te zetten. Want dat kan leiden tot forse reducties in depositie en dat kan daarmee ook een forse natuurwinst opleveren.

Toekomstperspectief

Waarom je je als melkveehouder zou inspannen de emissie nog verder (bovenwettelijk) te reduceren? Simpelweg om toekomstperspectief te behouden voor je bedrijf en je collega’s dicht in de buurt van zo’n verzuringgevoelig natuurgebied. Als via gezamenlijke inspanningen de depositie op het natuurgebied daalt, zal het draagvlak voor veehouderij rondom dat natuurgebied stijgen.

Belonen van goed gedrag

Maar van draagvlak alleen kun je niet leven. Gelukkig leiden veel ammoniakreducerende voer- en managementmaatregelen ook tot lagere bedrijfskosten. Ofwel, ze leveren geld op. Bovendien gaan  zuivelorganisaties als Friesland Campina de melkprijs ook mede laten bepalen door het kengetal ammoniakemissie per ha. Maar er kan nog meer om te stimuleren dat melkveehouders dicht bij een natuurgebied extra stappen zetten. Door die extra stap als een dienst te zien, zoals een groene dienst, waarvoor collectieven hun leden ook een vergoeding uitbetalen. Op het juiste moment de mest uitrijden – goede windrichting, lage temperatuur, lage windsnelheid, druilerig weer of regen – zorgt voor veel depositiereductie. Maar die optimale momenten zijn schaars. Dus extra uitrijcapaciteit is nodig om zoveel mogelijk mest onder optimale omstandigheden uit te rijden. En dat brengt extra kosten met zich mee. Daarvoor zou een beloningsstructuur moeten komen. Maar hoe bepaal je de winst van een bepaalde maatregel in termen van depositie zodat je een passende beloning kunt afleiden?

Rekenmodel brengt depositievermindering in beeld

Er is een rekenmodel dat emissie omrekent naar depositie: Aerius. Door Aerius te koppelen aan de uitkomsten van de Kringloopwijzers op de melkveebedrijven rondom een verzuringgevoelig natuurgebied, zijn zowel de individuele als de collectieve bijdragen van melkveebedrijven aan de depositievermindering te berekenen. Het is ook mogelijk om per uitrijmoment te berekenen wat de feitelijke emissie is. Voorwaarde is dat er GPS en een datalogger op de sleepvoetmachine aanwezig is. Door dit te koppelen aan Aerius is ook per uitrijmoment de depositie te berekenen.

Kortom, gebiedsgerichte inzet op depositie verlaging is te monitoren door een koppeling van Kringloopwijzer, Aerius en uitrijdmomenten. En als het te monitoren is, is het ook te belonen!

Gerard Migchels

Kunstmest op veenweidepercelen in zomermaanden overbodig

In de zomer neemt veenweidegras door de hogere bodemtemperatuur dubbel zoveel stikstof op als in de maanden ervoor. In combinatie met een drijfmestgift is dat meer dan voldoende voor een maai- of weidesnede. Kunstmest strooien is dus niet nodig. Beter voor het milieu en de portemonnee. Dat is de conclusie van Louis Bolk Instituut, Nutriënten Management Instituut en Wageningen Livestock Research op basis van gegevens uit Proeftuin Veenweiden.

Hogere bodemtemperatuur, meer eiwit

De stikstof levering uit de bodemmineralisatie komt op gang als de bodemtemperatuur stijgt. Gemiddeld levert een veenweidebodem in maart en april zo’n 10 tot 15 kg stikstof per ha per maand (zie Figuur), terwijl in de maanden juni en juli het gras ruim 30 tot 35 kg stikstof per ha per maand opneemt uit bodemmineralisatie. Voor een maaisnede en zeker voor een weidesnede is dat in combinatie met een drijfmestgift ruim voldoende. Uit de resultaten bleek dat bij giften van 30-35 kg werkzame N nagenoeg gelijke droge stof opbrengsten (bij maaien) worden gehaald als bij hogere giften. Het eiwitgehalte van het gras dan is dan doorgaans hoger dan 180 gram. 30-35 kg zuivere N komt gemakkelijk beschikbaar uit een drijfmest gift van 20 m3 plus de nalevering van de voorjaars drijfmest gift. Voor weide sneden is de stikstof levering uit de bodem in combinatie met de nalevering van de stikstof uit de voorjaarsgift van drijfmest ruim voldoende. Kunstmest strooien is vanaf juli daarom niet interessant op zowel weide als maai percelen. Dit omdat het nog nauwelijks effect geeft op de grasopbrengst terwijl het eiwitgehalte er wel door wordt verhoogd. De koeien kunnen dit hogere eiwitgehalte niet benutten.

Kunstmest op veenweidepercelen in zomermaanden overbodig

Figuur: Gemiddelde maandelijkse stikstof levering uit bodemmineralisatie grasland op veengronden

Bewijs van 200 proefvelden

De onderbouwing van deze conclusie komt van metingen naar het stikstof leverend vermogen van ruim 200 proefvelden gelegen op 13 verschillende locaties in het Westelijk Veenweidegebied in de periode van 1992 tot 2017. Die gegevens zijn verzameld in het kader van het gebiedsgerichte programma Proeftuin Veenweiden en het project Proefpolder Kringlooplandbouw. Het Louis Bolk Instituut, Nutriënten Management Instituut en Wageningen Livestock Research komen gezamenlijk tot deze conclusie na analyse van deze metingen.

Veel stikstof in veenweidebodem

Stikstof is de bouwsteen voor eiwit in gras. Het hoge stikstof leverend vermogen van de veenbodems zorgt voor relatief veel eiwit in het gras en de graskuilen in het veenweidegebied. En zelfs voor een eiwit overschot op de bedrijven met een hoog grasaandeel in het rantsoen. Melkkoeien hebben voldoende aan 150-160 gram ruw eiwit in het rantsoen, mits de VEM/ DVE verhouding klopt. In de zomermaanden komen graskuilen met 180-200 gram ruw eiwit veel voor, en het weidegras is doorgaans nog eiwitrijker.

Veengronden met een kleidek

De gegevens zijn verzameld van pure veenweidepercelen en veenweidepercelen met een toemaakdek, en zijn daarom niet direct vertaalbaar naar bijvoorbeeld veengronden met een kleidek of moerige gronden. In dat geval kan worden teruggekeken naar de toegepaste bemesting en de kuiluitslagen van de afgelopen jaren. Als daaruit blijkt dat het eiwitgehalte structureel (te) hoog was, is het zinvol kritisch te kijken naar de zomerbemesting.

Meer weten?

Mail naar Jeroen Pijlman (j.pijlman@louisbolk.nl)

 

Welke melk ga je leveren?

Een actuele vraag voor elke melkveehouder. Want alle melk is wit, maar de onderlinge verschillen zijn groot: FrieslandCampina levert nu al meerdere melkstromen. Allemaal gericht op een andere markt en met andere eisen aan de productie. Als melkveehouder moet je je dus afvragen wat het beste bij je bedrijf past en een keuze maken…

Tijdens de regiobijeenkomsten van Proeftuin Veenweiden, in samenwerking met FrieslandCampina en De Samenwerking presenteerde Guus van Laarhoven de visie van FrieslandCampina op de veranderende zuivelwereld.

Bekijk de presentatie

Gedragsonderzoek Proeftuindeelnemers: “We willen grenzen verkennen”

Leren, grensverleggend bezig zijn en de puntjes op de i in de bedrijfsvoering. Daar draait het om bij de deelnemers aan de Proeftuin, blijkt uit onderzoek door onderzoekers van Wageningen Livestock Research en een studente van Aeres Hogeschool. Zoals één van de pilotboeren zelf zegt: “Je weet pas waar de grens ligt als je erover heen gaat”. Een tussenstand over onderzoek naar gedrag en motivatie van Proeftuindeelnemers.

Metingen veldproef smalle weegbree van start

Smalle weegbree is een productief kruid, wat een stofje produceert dat mogelijk een gunstig effect heeft op de bodemmineralisatie. Vorig jaar is bij KTC Zegveld een veldproef ingezaaid met mengsels van smalle weegbree en Engels raaigras. Dit jaar wordt daar volop aan gemeten. Doel van de metingen aan smalle weegbree is om meer inzicht te krijgen in de hoeveel stikstof die gemineraliseerd wordt en waar gemineraliseerde stikstof gedurende het seizoen naar toe gaat. Gaat de stikstof naar gewasopname, uitspoeling of denitrificatie?

In deze proef worden dit jaar droge stof- en eiwitopbrengsten gemeten, om zo een beter beeld te krijgen van hoe het kruid in het veenweidegebied groeit. Ook worden diverse metingen gedaan aan stikstofgehalten in en stikstofverliezen van de bodem. Mengsels met Engels raaigras worden gebruikt om de metingen aan smalle weegbree mee te vergelijken.

Veenweidepercelen zijn rijk aan organische stof en door mineralisatie van die organische stof neemt het gras relatief veel stikstof op. Hierdoor bevatten de grasrijke rantsoenen van veenweidebedrijven al snel meer eiwit dan de koeien op dat moment nodig hebben. Vervolgens scheiden koeien het overtollig opgenomen eiwitstikstof uit via urine en mest, wat extra ammoniakemissie oplevert. Met de inzet van smalle weegbree onderzoeken we of we de bodemmineralisatie en opname van stikstof uit bodemmineralisatie kunnen beïnvloeden, om uiteindelijk ammoniakemissie te kunnen verminderen.

Uit een eerdere proef, waarin veengrond overgebracht was naar bakken in een kas, bleek na afloop van de proef dat de potentiële omzetting van ammonium naar nitraat in de bodem met smalle weegbree bijna 40% lager was dan met alleen Engels raaigras. Nitraat spoelt makkelijker uit dan ammonium; het kan dus betekenen dat smalle weegbree kan bijdragen aan het verminderen van nitraatuitspoeling.

Lees hier meer: Smalle weegbree multifunctioneel kruid

Meer weten?

Mail naar Jeroen Pijlman (j.pijlman@louisbolk.nl) of Nick van Eekeren (n.vaneekeren@louisbolk.nl)

Bijeenkomst: Melkveehouderij op veen richting 2030!

Proeftuin Veenweiden organiseert in samenwerking met FrieslandCampina en De Samenwerking drie regio avonden voor melkveehouders en adviseurs in de veenweiden. Bijeenkomsten die bedoeld zijn om praktische handvatten te geven voor integrale duurzaamheid op uw bedrijf. Inderdaad, 2030 lijkt nog heel ver weg, maar voor die tijd moet er nog veel gebeuren. Op deze avonden wordt u daarover bijgepraat. Trefwoorden daarbij zijn: waterkwaliteit, ammoniak, eiwitbenutting, biodiversiteit, bodemkwaliteit en graslandbeheer. Wat kun je doen en hoe meet je dat?

Op 31 mei, 5 juni en 7 juni kunt u in uw eigen regio hier meer over horen en over meepraten. Kies voor één van onderstaande data en locaties:

  • donderdagavond 31 mei in Hoornaar:
    • Zalencentrum Het Bruisende Hart, Dirk IV-Plein, 4223 MA Hoornaar
  • dinsdagavond 5 juni in Haastrecht:
    • De Samenwerking, Provincialeweg Oost 34a, 2851 AE Haastrecht
  • donderdagavond 7 juni in Breukelen:
    • Van der Valk Hotel Breukelen, Stationsweg 91, 3621 LK Breukelen

Meer over programma en aanmelden via proeftuinveenweiden.nl/veen2030

Minder ammoniakemissie en hogere grasopbrengst met verdunde mest

Het uitrijden van met water verdunde runderdrijfmest met een sleepvoetmachine kan de ammoniakemissie tot wel 40% verminderen. De daarmee gespaarde ammoniakstikstof leidt tot een extra stikstofopname van het gras, en bij sterke verdunning tot een aantoonbaar hogere opbrengst. Dit blijkt uit meerjarige emissiemetingen en een éénjarige veldproef naar grasopbrengst op veen- en kleigrond uitgevoerd door Wageningen University & Research in opdracht van LTO Noord in het kader van Proeftuin Natura 2000.

Twee proeven met verdunde mest

Het verdunnen met water is gangbaar bij mesttoediening waarbij de mest wordt aangevoerd met een sleepslangsysteem. Dat wordt vooral gedaan om de mest goed te kunnen verpompen, maar het vermindert tevens de ammoniakemissie. In een eerder onderzoek werd namelijk al aangetoond dat met water verdunde mest, toegediend met een sleepvoetmachine, tot vermindering van de ammoniakemissie leidt. In 2016 en 2017 zijn vervolgmetingen uitgevoerd naar het effect van verdunnen van mest met water op de ammoniakemissie. Een oriënterende proef leidde ook tot een hogere grasopbrengst. Om de uitkomsten daarvan te staven is in 2016 een jaarrondproef naar de grasopbrengst op veen- en kleigrond uitgevoerd.

Minder ammoniakemissie door verdunning

In 2016 gaven de verdunningen van 1 deel mest op 0,25 deel water (20% water) en 1 deel mest op 0,5 deel water (33% water) een gemiddelde emissiereductie van respectievelijk 25 en 48%. In 2017 werd bij een verdunning van 1 op 0,33 (25% water) een gemiddelde emissiereductie gevonden van 21%. De gemeten ammoniakemissie van de onverdunde mest was gemiddeld hoger dan in het verleden werd gevonden. Dit is mogelijk te verklaren door onder andere weers- en bodemomstandigheden, mestsamenstelling en uitvoering van de mesttoediening. De mest werd uitgereden met een sleepvoetmachine en kort voor het uitrijden in de tank verdund. De resultaten zijn beschreven in het rapport “Ammoniakemissie bij met water verdunde mest toegediend met een sleepvoetenmachine op grasland : resultaten 2016-2017”.

Goede relatie tussen beschikbare en opgenomen stikstof

Minder ammoniakemissie betekent minder stikstofverlies en dus dat er meer ammoniakstikstof uit de toegediende mest beschikbaar is voor het gras. In het éénjarige onderzoek naar de effecten hiervan op de grasgroei op veen- en kleigrond werden echter nauwelijks betrouwbare verschillen in droge-stofopbrengst gevonden tussen de verschillende verdunningen en onverdunde mest. Slechts in een geval op kleigrond werd bij een verdunning van 1/1 een aantoonbaar hogere opbrengst gemeten. Het berekende extra stikstofaanbod door verdunning varieerde per aanwending van 4 tot 24 kg per ha afhankelijk van mestdosering, grondsoort en de verdunning. Ondanks de beperkte verschillen in grasopbrengsten tussen verdunde en onverdunde mest werd een duidelijke relatie gevonden tussen de berekende extra beschikbare stikstof (als gevolg van minder emissie) en de gemeten extra stikstofopname door het gewas. De veldproeven worden beschreven in het rapport “Benutting verdunde mest aangewend met sleepvoetenmachine op grasland”.

Meer informatie:

  • Jan Huijsmans, jan.huijsmans@wur.nl
  • Herman van Schooten, herman.vanschooten@wur.nl

Sturen op eiwitniveau in krachtvoer loont tijdens het weideseizoen

In een tweejarige beweidingsproef met kurzrasen en stripgrazen op KTC Zegveld is gekeken naar het effect van het verlagen van de onbestendig eiwit balans (OEB) in krachtvoer op het ureumgehalte in de melk en de melkproductie. Krachtvoer met een lage OEB verlaagde het melkureumgehalte met gemiddeld 45% in 2016 en 30% in 2017. Dit onderzoek is uitgevoerd door KTC Zegveld, Louis Bolk Instituut en Wageningen Livestock Research in het kader van de projecten Amazing Grazing en de PPS Ruwvoerproductie en Bodemmanagement.

Laag ureum, lagere ammoniakemissie

Een lager ureumgehalte in de melk is een indicatie van een betere stikstofbenutting en lagere ammoniakemissie. Weidegang heeft een verlagend effect op ammoniakemissie, maar ook hier valt nog een verdere reductie te behalen door aanpassing van het rantsoen. In de tweejarige beweidingsproef met kurzrasen en stripgrazen kregen de koeien naast beweid gras en kuilgras dagelijks ongeveer 7 kg krachtvoer met een lage (-50, OEB-L) of hoge (50, OEB-H) OEB. Kurzrasen had in 2016 een 40% hoger ureumgehalte dan stripgrazen, en in 2017 was het 22% hoger. De oorzaak is het hogere eiwitgehalte in het opgenomen kurzrasengras, dat volledig bestaat uit jonge grastopjes.

Seizoen heeft invloed

De ureumgehaltes vertonen ook een seizoensgebonden patroon. In het voorjaar zijn de waardes lager dan gemiddeld en in het najaar hoger. Dat past bij het eiwit- en VEM gehalte van het verse weidegras. In het voorjaar van 2016 resulteerde dit in ureumgehaltes van onder de 15 en was er een negatief effect op de melkproductie. In het najaar van 2016 en in 2017 en waren de ureumgehaltes steeds boven de 15 (of tijdelijk er net onder), en was er geen enkel effect op de meetmelkproductie.

Conclusie: het onderzoek toont aan dat sturen op het OEB-gehalte in het krachtvoer gedurende het weideseizoen loont als de gift goed wordt afgestemd op het beweidingssysteem en het seizoen.

effect van beweidingssysteem en OEB van krachtvoer

Figuur 1. Het effect van beweidingssysteem (KR = kurzrasen en SG = stripgrazen) en OEB van het krachtvoer (H = hoog, L = laag) op het melk ureumgehalte gedurende het weideseizoen.