Bijeenkomst: Visie op de toekomst van melkveehouders in de Westelijke Veenweiden

Uitnodiging

Klimaatagenda & Proeftuin Veenweiden


Woensdag 9 oktober 2019

13.00 – 18.00 uur

Zalencentrum De Til in Giessenburg


Wij nodigen u van harte uit voor deze bijeenkomst, om actief deel te nemen en uw inbreng te leveren. Het programma Proeftuin Veenweiden Natura 2000 presenteert de resultaten van de afgelopen drie jaar. Vervolgens gaan we in gesprek over het toekomstperspectief van de melkveehouderij in de Westelijke Veenweiden.

Met wie?

  • Vertegenwoordigers van landelijk en regionaal beleid, van de sector en belangrijke ketenpartners

Waarover?

  • Resultaten drie jaar Proeftuin Veenweiden Natura 2000
  • Gevolgen van het stikstofbeleid en het klimaatakkoord.
  • Plannen voor de melkveehouderij in de Westelijke Veenweiden.

Noteer alvast 9 oktober vanaf 13.00 in uw agenda. Meer informatie volgt in september.

Met uitnodigende groet,

LTO Noord, mede namens Proeftuin Veenweiden Natura 2000 en Klimaatslim boeren op veen

In korte tijd 22% minder ammoniakuitstoot door deelnemers Proeftuin Veenweiden

Gemiddeld daalde de ammoniakuitstoot bij de deelnemers aan de Proeftuin met 22% in een paar jaar tijd. Er is dus nog veel mogelijk voor melkveehouders in het Westelijk Veenweidengebied. Dat is goed nieuws.

Lees meer hierover in het artikel van Nieuwe Oogst van 28 mei 2019.

Deelnemer Plomp haalde de gewenste 25% reductie wel, onder meer door zijn mest verdund uit te rijden en omdat hij zijn eigen krachtvoer laat samenstellen. ‘Ik wil weten welke grondstoffen ik voer en in welke hoeveelheden. Op die manier is mijn krachtvoer beter afgestemd op het ruwvoer en dat merk je ook in de portemonnee.’

Lees verder: www.nieuweoogst.nl/nieuws

Water en mest: fors minder ammoniakemissie in de stal en op het veld

Het maximaal combineren van mest en water leidt tot fors minder ammoniakemissie in de stal en op het veld. Dat is hoopgevend. Er zijn twee belangrijke aandachtpunten: borging van de verdunning en voldoende mestopslagcapaciteit. Dit blijkt uit onderzoek naar de effecten van mestverdunning bij de pilotboeren van Proeftuin Veenweiden en onderzoek op Dairy Campus.

40% minder ammoniakemissie in het veld

Het is dit jaar verplicht om bij inzet van de sleepvoet op klei en veengrond de mest verdund uit te rijden. Met een verdunning van één deel water op twee delen mest zorgt dit voor 40% minder veldemissies in de Veenweiden. De melkveehouder / loonwerker moet daarbij aannemelijk maken dat er met voldoende water is verdund. Op Dairy Campus loopt op dit moment onderzoek naar de emissiereductie in de stal door het toevoegen van water. Het gaat daarbij om het spoelen van 10 liter water per m2 loopvloer per dag. Uit de eerste ronde metingen vorig jaar bleek ook daar een forse emissiereductie haalbaar. Dit jaar vindt een tweede ronde metingen in de stal plaats.

Borgen van verdunning in de stal

Hoe is het dagelijks sproeien met 10 liter per m2 loopvloer te waarborgen? Dat kan door het plaatsen van flowmeters in de waterleiding. Die gekoppeld zijn aan dataloggers. Zodat de hoeveelheid water goed te monitoren is. Zodra de metingen op Dairy Campus definitief zijn is de volgende stap om verdunnen in de stal op de bijlage van de Regeling ammoniak veehouderij (Rav) te krijgen. Zodat de maatregel verdunnen in de stal het officiële label krijgt van een emissiearm stalsysteem.

Voldoende mestopslagcapaciteit

Bij jaarrond sproeien met 10 liter/m2 en 3,5m2/koe gaat het om 35 liter water per koe per dag. Per jaar gaat het dan om 13.000 liter ofwel 13m3. De mestopslagcapaciteit zal dus toe moeten nemen om dit jaarrond te kunnen organiseren. Ruwweg vraagt het bij een melkproductie van 9.000 liter per jaar om 33% extra opslagcapaciteit.

De extra mestopslagcapaciteit is te beperken door in de stalperiode minder te verdunnen. Dat leidt logischerwijs wel tot minder emissiereductie. Hoeveel minder wordt duidelijk wanneer de emissiemetingen in de stal zijn afgerond.

Betrouwbaar bewijs voor het uitrijden van verdunde mest

Proeftuin Veenweiden heeft gewerkt aan een goedkoop alternatief voor het borgen van voldoende verdunning van de mest. Naarmate de mest meer verdund is, daalt de elektrische geleidbaarheid (EC). Met een EC-meter voor de verdeler gekoppeld aan een datalogsysteem zou borging mogelijk kunnen zijn. Op basis van 29 mestmonsters is gebleken dat met een vaste EC-waarde het mogelijk is om statistisch onderbouwd te borgen dat de mest minimaal voor 1/3 water op 2/3 mest is verdund met water. Het grote voordeel van de EC meter is dat het niet uitmaakt of de mest in of buiten de stal is verdund.

Het rapport van dit onderzoek komt medio 2019 beschikbaar. Vervolgstap is het geaccepteerd krijgen van deze manier van borgen door LNV/NVWA.

Proeftuin Veenweiden gaat integraal met Klimaatslim Boeren op Veen

Als een van de logische vervolgen op de Proeftuin Veenweiden startte dit voorjaar het project Klimaatslim Boeren op Veen. Daarin pakken de melkveehouders het breed aan. Het gaat niet meer alleen over ammoniakemissie, maar ook om bodemdaling, CO2-uitstoot, waterkwaliteit, biodiversiteit. En net zoals in de Proeftuin draait het ook om bedrijfsresultaat en toekomstperspectief. Daarmee vormt het een perfect vervolg op de kennis die de Proeftuin in de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd. Integraal werken sluit goed aan bij de dagelijks praktijk van de melkveehouder.

Project Klimaatslim Boeren op Veen

Klimaatslim boeren op veenHet Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en twee agrarische collectieven – Rijn Gouwe Wiericke en Rijn Vecht en Venen – zijn sinds begin 2019 aan de slag met het project Klimaatslim Boeren op Veen. De inzet van het project is allereerst het realiseren van maatregelen die bodemdaling remmen en CO2-uitstoot verminderen (met name onderwaterdrainage) op 800 ha in drie polders in Utrecht en Zuid-Holland. Maar die inzet biedt ook mogelijkheden om vervolgens de uitstoot van ammoniak te verminderen en de waterkwaliteit en biodiversiteit te verbeteren.

Het project wil ervaring opdoen voor de beoogde grootschalige uitrol van onderwaterdrainage via het Klimaatakkoord en de Regiodeal Bodemdaling Groene Hart. Tevens levert het project een bijdrage aan het emissie-onderzoek van het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling.

Sturen van de grondwaterstand om bodemdaling en CO2-uitstoot te verminderen

De belangrijkste inzet van Klimaatslim Boeren op Veen is voorkomen dat de grondwaterstand op veenpercelen in de zomer uitzakt. Via onderwaterdrainage wordt water uit de sloot in de bodem geïnfiltreerd, waardoor de veenoxidatie (en daarmee de CO2-uitstoot en de bodemdaling) vermindert met 30-70%. Ook voor de boer zijn er voordelen: allereerst is er minder droogteschade. Verder verlaagt onderwaterdrainage de grondwaterstand onder natte omstandigheden (voor- en najaar), wat zorgt voor meer draagkracht op de percelen.

De aanpak is poldergericht. Voorwaarde is dat ca. 60% van de boeren in een polder meedoet. Dat is nodig omdat bij Klimaatslim Boeren op Veen ook het waterbeheer in de polder verandert: door dynamisch peilbeheer wordt de infiltratie in de zomer verder vergroot.

Daarnaast wordt in het project gekeken of ook natte teelten een bijdrage kunnen leveren aan het behalen van de doelen op polderniveau. Laaggelegen percelen lijken daarvoor het meeste perspectief te bieden.

Duurzame agrarische bedrijfsvoering

Dit is nog niet alles. Ervaringen uit de Proeftuin Veenweiden laten zien dat de aanleg van onderwaterdrainage effect heeft op de gehele bedrijfsvoering, met name op de beweidings-, bemestings- en voerstrategie. En dat zo ook emissies van ammoniak en nutriënten kunnen worden verminderd. Binnen Klimaatslim Boeren op Veen krijgen de betrokken agrariërs begeleiding om deze potentiële winst ook daadwerkelijk te realiseren. Daarbij staan vier prestatie-indicatoren uit de biodiversiteitsmonitor van Friesland Campina, Rabobank en WNF centraal: mineralenverlies, uitstoot ammoniak, uitstoot broeikasgassen en bodembeheer. De ervaringen uit Proeftuin Veenweiden spelen een belangrijke rol in de bedrijfsadvisering.

Biodiversiteit

In het project Klimaatslim Boeren op Veen wordt ook ingezet op een daadwerkelijke verbetering van de biodiversiteit op polderniveau. De eigen bijdrage van de agrariërs (ca. 25% van de kosten van aanleg onderwaterdrainage) wordt ingezet voor biodiversiteitsmaatregelen op het vlak van bijvoorbeeld slootkant- of weidevogelbeheer. Hier wordt aangesloten bij andere prestatie-indicatoren van de biodiversiteitsmonitor: soortenbeheer, landschapsbeheer, landgebruik en kruidenrijk grasland.

Borging van de resultaten

Het project beoogt de te bereiken resultaten te borgen voor de lange termijn via de zuivelketen. Als agrariërs in staat zijn om vanuit Klimaatslim Boeren te voldoen aan bovenstaande eisen, zijn zij direct al een eind onderweg om te voldoen aan de criteria van de Topzuivellijn van Friesland Campina en soortgelijke programma’s van andere zuivelbedrijven. Dat kan leiden tot een toeslag op de melkprijs die het aantrekkelijk maakt om op de ingeslagen weg door te gaan. Op termijn lijkt een verdere stapeling van ‘beloningen’ mogelijk (denk aan rentekorting bij de Rabobank, carbon-credits via de Milieufederatie, etc.). Wellicht gaat dit in de toekomst zelfs leiden tot geheel nieuwe duurzame financieringsmodellen.


Meer informatie:

Website Klimaatslim Boeren op Veen

Lagere lachgasemissies door gebruik smalle weegbree

Grasland op veengrond met smalle weegbree geeft na een kunstmestgift mogelijk een lagere lachgasemissie dan puur Engels raaigras. Dit blijkt uit metingen aan proefvelden op KTC Zegveld onder begeleiding van het Louis Bolk Instituut. Lachgas is een sterk broeikasgas. Verder onderzoek is nodig om met meer zekerheid te zeggen of, wanneer en hoe smalle weegbree lagere lachgasemissies op veengrond kan geven.

De lachgasemissies werden in september en oktober van het afgelopen jaar gemeten, na een kunstmestgift van 50 kg zuivere stikstof per hectare. Er werd gemeten aan veldjes met Engels raaigras, smalle weegbree en mengsels hiervan. Veldjes met alleen smalle weegbree of een mengsel van Engels raaigras en smalle weegbree gaven beide een tendens naar lagere lachgasemissies, ten opzichte van alleen Engels raaigras.

In Nieuw-Zeeland is al uitgebreider onderzoek gedaan naar lachgasemissies en smalle weegbree. Daar werden na een urine lozing op een leemgrond tot meer dan de helft lagere lachgasemissies gemeten in monoculturen van smalle weegbree ten opzichte van Engels raaigras (Luo et al. 2018). Het verwachte mechanisme achter de lagere emissies is de productie van specifieke stofjes (o.a. aucubin) door smalle weegbree die nitrificatie in de bodem kunnen remmen. In een andere Nieuw-Zeelandse studie waarin aucubin of een weegbree extract aan koe-urine werd toegevoegd, verminderden lachgasemissies met ongeveer een derde tot de helft na het aanbrengen van de urine op de bodem (Gardinier et al. 2018).

Lachgasemissies zijn hoger na het uitrijden van (kunst)mest of na beweiding, met name als gevolg van urine lozingen, en in gronden die veel stikstof bevatten. En lachgasemissies zijn doorgaans hoger als de bodem vochtiger is. Veengronden geven daarom gemiddeld hogere lachgasemisies dan zand- of kleigronden. Smalle weegbree kan mogelijk dus een bijdrage leveren aan het verlagen van broeikasgasemissies van bemeste graslanden.

Omdat dit resultaten zijn van een eerste veldproef zijn in één specifieke periode van het jaar is verder onderzoek gewenst. De productie van stofjes als aucubin door smalle weegbree, die nitrificatie beïnvloeden, is bijvoorbeeld seizoensafhankelijk. Een vervolgvraag is daarom om te onderzoeken in welke tijden van het jaar en onder welke omstandigheden dit effect nog meer aanwezig kan zijn.

Meer weten?

Mail naar Nick van Eekeren (n.vaneekeren@louisbolk.nl) of Jeroen Pijlman (j.pijlman@louisbolk.nl)

Met minder eiwit, stijgt uw score van 1-0 naar 6-0!

Vanuit Proeftuin Veenweiden waren we in de afgelopen drie jaar erg gefocust op ammoniak. De grote vraag was: hoe zorgen we op ieder bedrijf voor 25% minder ammoniak uitstoot? Maatregel nummer 1 om dat te bereiken is het reduceren van de overmaat aan eiwit in de cyclus!

Inmiddels krijgen de duurzaamheidskengetallen vanuit de zuivelindustrie de nodige aandacht en (financieel) gewicht. Nu blijkt dat eiwit in het rantsoen niet alleen effect heeft op ammoniak, maar ook op andere kengetallen. Reden te meer om hier zo snél mogelijk mee aan de slag te gaan!

Meer eiwit van eigen land

Het percentage eiwit van eigen land is de verhouding tussen geproduceerd eiwit van eigen land en de totale behoefte aan eiwit van de veestapel. Door elke diergroep eiwit op maat te voeren neemt de behoefte van de totale veestapel vaak fors af. Dit levert dan extra punten op voor % eiwit van eigen land.

Minder broeikasgassen

  1. Minder ammoniak in de lucht zorgt voor minder omzetting naar lachgas;
  2. Minder overmaat aan eiwit zorgt voor minder stikstof in de mest/urine en daardoor minder emissie van lachgas uit de mestopslag;
  3. Minder stikstof in de mest/urine zorgt ook voor minder methaanemissie uit de mestopslag;
  4. Minder stikstof in de mest/urine zorgt ook nog voor minder methaan bij beweiden.

Conclusie: Minder eiwit in het rantsoen scoort op veel fronten! En dan hebben we het nog niet eens gehad over het stikstofplafond …

Redenen genoeg om met de eiwitbenutting aan de slag te gaan!

Vergeet de N-voorraad in de bodem niet

Bij het berekenen van de gewenste bemesting in het voorjaar voor de 1e snede, moet u ook een inschatting maken van de stikstofvoorraad in de bodem. Enerzijds is dat de ‘oude voorraad’ van het voorgaande jaar, anderzijds is dat de stikstof die vrijkomt bij oplopende temperaturen in maart en april door mineralisatie.

Oude voorraad

De hoeveelheid stikstof in de bodem die van het voorgaande jaar is achtergebleven, is sterk afhankelijk van de hoeveelheid neerslag in de winter. Was dat ruimschoots , dan is de oude voorraad nagenoeg geheel verdwenen.

Om een indicatie te hebben van deze voorraad kan een grondmonster uitkomst bieden. Een grondmonster van 0 – 20 cm diepte geeft aan wat er aan stikstof aanwezig is. De N-ammoniakaal is direct beschikbaar voor de plant.

In onderstaand tabel staan de resultaten van analyses op 3 percelen op 1 bedrijf.

tabel met de resultaten van analyses op 3 percelen op 1 bedrijf.

We zien dat er ongeveer 10 – 15 kg N beschikbaar komt voor de plant. Dit getal is geen verrassing. Door de droge winter is er nauwelijks stikstof uitgespoeld.

Mineralisatie

Uit onderzoek van Jeroen Pijlman (LBI) bleek dat op gemiddelde veengrond vanaf maart stikstof beschikbaar komt voor de plant als gevolg van mineralisatie. Deze hoeveelheid is sterk afhankelijk van de temperatuur. In 2017 werd de mineralisatie ingeschat zoals in onderstaande grafiek weergegeven.

We zien dat er voor de eerste snede ongeveer 25 kg N van de jaarlijkse 250 kg N als gevolg van mineralisatie vrijkomt.

Conclusie

Als u aan de gewenste bemesting rekent, dan zult u zien dat u dit jaar 35 – 40 kg N minder hoeft te bemesten in de vorm van drijfmest of kunstmest!

BLOG: Dreigende verrassing

De voerindustrie is niet proactief rond stikstof. Daarmee komt gedwongen krimp in zicht.

Ik bezocht eind oktober een bijeenkomst over ammoniakemissie maatregelen in het westen van het land. Aanleiding voor deze bijeenkomst zijn de Natura2000-gebieden in die regio, waardoor er grote uitdagingen zijn om de ammoniakemissie te verlagen. In de zaal waren verschillende voerfirma’s vertegenwoordigd, en ook de overheid en onderzoekers. De beleidsambtenaar gaf aan dat de ammoniakemissie omlaag moet, en wel in heel Nederland. Landbouw en overheid hebben hier eerder al afspraken over gemaakt: de overheid zet wetgeving in om de emissie bij het mest uitrijden en in de stal te verlagen. En de sector gaat werken aan voer- en managementmaatregelen om de emissie te verlagen. Dat moet uiteindelijk 3.000 ton ammoniak opleveren. Denk hierbij aan een laag ureumgehalte in tankmelk of een laag stikstofgehalte in het rantsoen. In 2021 zou dit al gerealiseerd moeten zijn. Een mooie deal van de sector om zo via de zogenaamde PAS ontwikkelruimte te verdienen.

Uit monitoring blijkt echter dat de ammoniakemissie de afgelopen jaren niet verlaagd is, maar juist verhoogd. Iedereen weet dat dit niet door de varkens of het pluimvee komt en dat vooral de rundveesector aan zet is. ‘Dus de uitdaging is groot en de urgentie is hoog’, gaf de overheidsvertegenwoordiger aan, ‘zeker ook in het veenweidegebied’.

Nu even terug naar de ammoniak bijeenkomst. We zaten daar met een ruime vertegenwoordiging van de voerindustrie om de tafel. Slimme en creatieve mensen als het gaat om voer- en managementmaatregelen in te vullen voor een lagere ammoniakemissie. Ze werden gesterkt door een WUR-voedingsonderzoeker die aangaf dat in theorie het ruw-eiwitgehalte van het rantsoen wel naar 125 gram per kilo kan. Bij dat lage ruweiwitgehalte zijn er nog geen nadelige effecten voor de melkproductie te verwachten. Maar wat schetst mijn verbazing? De creativiteit van de voerindustrie maakte plaats voor een sterk defensieve houding: ‘Met dit gras en deze veenbodem halen we geen lage eiwitgehalten in het rantsoen’, ‘dat kan helemaal niet’, of ‘hoe denk jij 1.000 VEM uit dit gras te halen?’

Toegegeven, eenvoudig is het allemaal niet, maar een verlaging van de huidige circa 170 naar 145 gram ruw eiwit per kilo voer zou al een flinke stap met een behoorlijk groot effect op de stikstofverliezen zijn, en daarmee ook op de uitstoot van ammoniak. Bovendien laten de 2 Koeien & Kansen-bedrijven in die omgeving zien dat ze in 2017 naar een ruw eiwit gehalte van 155 en 165 g Re/kVEM in het totale rantsoen kunnen.

Ik had hoge verwachtingen van de voerindustrie. In het Fosfaatreductieplan 2017 heeft deze sector ook een mooie inspanning geleverd, zodat de sector uiteindelijk onder het fosfaatplafond uitkwam. Mijn angst is nu dat het stikstofplafond ons door de vingers glipt als creativiteit op het voer- en managementspoor uitblijft. Dit kan, maar eerder nog, zál weer leiden tot ingrijpen van de overheid en die heeft nu de sleutel op dieraantallen al in de hand met de fosfaatrechten. Na afloop van de bijeenkomst verzuchtte de overheidsvertegenwoordiger: ‘Ik weet wat ons te doen staat’.

Laat het niet zo ver komen, wees alert en laat je niet verrassen door stikstof!

Deze column van WUR-onderzoeker Michel de Haan is eerder verschenen in Melkvee 100 plus

Eerst rekenen, dan strooien!

Uit de kringloopwijzers 2018 van de pilotbedrijven vallen twee dingen op:

  1. het ruw eiwit gehalte in het krachtvoer is beduidend lager dan in 2017;
  2. het ruw eiwit gehalte in het gras is beduidend hoger dan in 2017.

Samen zorgt dit er voor dat het rantsoen voor wat betreft ruw eiwit op gelijk (hoog!) niveau is gebleven. Hierdoor is de vooruitgang van krachtvoer met minder ruw eiwit nagenoeg teniet gedaan!

En dat is jammer, want dan is de extra reductie aan ammoniak ook verwaarloosbaar.

Wat te doen?

Op veel bedrijven in het veenweidegebied is gras een belangrijk deel van het rantsoen. Als dit gras teveel aan eiwit bevat (> 170), is dit nauwelijks meer te compenseren met mais, bijproducten en brok. Om dit te doorbreken is het enige handvat: de bemesting aanpassen!

Stel dat u een behoorlijke maaisnede (3.500 kg ds) met 170 gram ruw eiwit wilt hebben.

Dan heeft het gewas 3.500 x 170 / 6,25 = 95 kg N nodig. Deze stikstof komt uit drie bronnen: voorraad in de bodem, drijfmest en kunstmest. Hieronder lopen we deze drie bronnen langs en kijken hoeveel kg N deze geven.


1.

Stikstofbron: Voorraad in de bodem (wordt nog nader onderzocht)

Vanwege de droge winter verwachten we dat er naast de basisvoorraad nog wel 10 – 15 kg extra werkzame N in de bodem aanwezig is. Deze komt met de 1e snede vrij.

Beschikbare N: 10 – 15 kg


2.

Stikstofbron: Drijfmest

Stel dat u op de maaipercelen 35 kuub drijfmest uitrijdt, verdund met water. De hoeveelheid N in de drijfmest is ongeveer 4 kg N per ton mest. Van deze 4 kg N, is 45% direct beschikbaar (= niet organisch): 4 x 45% = 1,8 kg N => als u een eigen mestmonster laat nemen, is zowel de totale kg N als het direct beschikbare (N-amm) bekend.

Van de direct beschikbare 1,8 kg N is de werkingscoëfficiënt bij aanwenden met water ongeveer 85% = 1,8 x 85% = 1,53 kg N

In totaal komt via de drijfmest beschikbaar voor de 1e snede: 35 x 1,53 kg N = 54 kg N

Beschikbare N: 54 kg


3.

Stikstofbron: Kunstmest

De sluitpost in de voorjaarsbemesting is de kunstmest. Hiermee kan worden bepaald hoeveel ruw eiwit er uiteindelijk in het gras terecht komt.

In dit voorbeeld is aan kunstmest nodig:  95 – 15 – 54 = 26 kg N!

Dit komt overeen met niet meer dan 100 kg KAS per ha.

Beschikbare N: 26 kg


 

De praktijk leert dat er vaak meer op gaat …. Dat kost geld, zorgt voor een overmaat aan eiwit in het rantsoen en daarmee voor meer ammoniak!

Het advies is: eerst rekenen, dan strooien!

 

Factsheet: Melkvee(n)wijzer reductie ammoniakemissie

Hoe verlaag je de ammoniakemissie op veen met tenminste 25% om de doelen van de Duurzame Zuivelketen in 2020 te bereiken? Download hier het factsheet. Deze Melkvee(n)wijzer biedt effectieve maatregelen, uitgetest door melkveehouders uit Proeftuin Veenweiden.

Lees er meer over in het factsheet.