Lagere lachgasemissies door gebruik smalle weegbree

Grasland op veengrond met smalle weegbree geeft na een kunstmestgift mogelijk een lagere lachgasemissie dan puur Engels raaigras. Dit blijkt uit metingen aan proefvelden op KTC Zegveld onder begeleiding van het Louis Bolk Instituut. Lachgas is een sterk broeikasgas. Verder onderzoek is nodig om met meer zekerheid te zeggen of, wanneer en hoe smalle weegbree lagere lachgasemissies op veengrond kan geven.

De lachgasemissies werden in september en oktober van het afgelopen jaar gemeten, na een kunstmestgift van 50 kg zuivere stikstof per hectare. Er werd gemeten aan veldjes met Engels raaigras, smalle weegbree en mengsels hiervan. Veldjes met alleen smalle weegbree of een mengsel van Engels raaigras en smalle weegbree gaven beide een tendens naar lagere lachgasemissies, ten opzichte van alleen Engels raaigras.

In Nieuw-Zeeland is al uitgebreider onderzoek gedaan naar lachgasemissies en smalle weegbree. Daar werden na een urine lozing op een leemgrond tot meer dan de helft lagere lachgasemissies gemeten in monoculturen van smalle weegbree ten opzichte van Engels raaigras (Luo et al. 2018). Het verwachte mechanisme achter de lagere emissies is de productie van specifieke stofjes (o.a. aucubin) door smalle weegbree die nitrificatie in de bodem kunnen remmen. In een andere Nieuw-Zeelandse studie waarin aucubin of een weegbree extract aan koe-urine werd toegevoegd, verminderden lachgasemissies met ongeveer een derde tot de helft na het aanbrengen van de urine op de bodem (Gardinier et al. 2018).

Lachgasemissies zijn hoger na het uitrijden van (kunst)mest of na beweiding, met name als gevolg van urine lozingen, en in gronden die veel stikstof bevatten. En lachgasemissies zijn doorgaans hoger als de bodem vochtiger is. Veengronden geven daarom gemiddeld hogere lachgasemisies dan zand- of kleigronden. Smalle weegbree kan mogelijk dus een bijdrage leveren aan het verlagen van broeikasgasemissies van bemeste graslanden.

Omdat dit resultaten zijn van een eerste veldproef zijn in één specifieke periode van het jaar is verder onderzoek gewenst. De productie van stofjes als aucubin door smalle weegbree, die nitrificatie beïnvloeden, is bijvoorbeeld seizoensafhankelijk. Een vervolgvraag is daarom om te onderzoeken in welke tijden van het jaar en onder welke omstandigheden dit effect nog meer aanwezig kan zijn.

Meer weten?

Mail naar Nick van Eekeren (n.vaneekeren@louisbolk.nl) of Jeroen Pijlman (j.pijlman@louisbolk.nl)

Met minder eiwit, stijgt uw score van 1-0 naar 6-0!

Vanuit Proeftuin Veenweiden waren we in de afgelopen drie jaar erg gefocust op ammoniak. De grote vraag was: hoe zorgen we op ieder bedrijf voor 25% minder ammoniak uitstoot? Maatregel nummer 1 om dat te bereiken is het reduceren van de overmaat aan eiwit in de cyclus!

Inmiddels krijgen de duurzaamheidskengetallen vanuit de zuivelindustrie de nodige aandacht en (financieel) gewicht. Nu blijkt dat eiwit in het rantsoen niet alleen effect heeft op ammoniak, maar ook op andere kengetallen. Reden te meer om hier zo snél mogelijk mee aan de slag te gaan!

Meer eiwit van eigen land

Het percentage eiwit van eigen land is de verhouding tussen geproduceerd eiwit van eigen land en de totale behoefte aan eiwit van de veestapel. Door elke diergroep eiwit op maat te voeren neemt de behoefte van de totale veestapel vaak fors af. Dit levert dan extra punten op voor % eiwit van eigen land.

Minder broeikasgassen

  1. Minder ammoniak in de lucht zorgt voor minder omzetting naar lachgas;
  2. Minder overmaat aan eiwit zorgt voor minder stikstof in de mest/urine en daardoor minder emissie van lachgas uit de mestopslag;
  3. Minder stikstof in de mest/urine zorgt ook voor minder methaanemissie uit de mestopslag;
  4. Minder stikstof in de mest/urine zorgt ook nog voor minder methaan bij beweiden.

Conclusie: Minder eiwit in het rantsoen scoort op veel fronten! En dan hebben we het nog niet eens gehad over het stikstofplafond …

Redenen genoeg om met de eiwitbenutting aan de slag te gaan!

Vergeet de N-voorraad in de bodem niet

Bij het berekenen van de gewenste bemesting in het voorjaar voor de 1e snede, moet u ook een inschatting maken van de stikstofvoorraad in de bodem. Enerzijds is dat de ‘oude voorraad’ van het voorgaande jaar, anderzijds is dat de stikstof die vrijkomt bij oplopende temperaturen in maart en april door mineralisatie.

Oude voorraad

De hoeveelheid stikstof in de bodem die van het voorgaande jaar is achtergebleven, is sterk afhankelijk van de hoeveelheid neerslag in de winter. Was dat ruimschoots , dan is de oude voorraad nagenoeg geheel verdwenen.

Om een indicatie te hebben van deze voorraad kan een grondmonster uitkomst bieden. Een grondmonster van 0 – 20 cm diepte geeft aan wat er aan stikstof aanwezig is. De N-ammoniakaal is direct beschikbaar voor de plant.

In onderstaand tabel staan de resultaten van analyses op 3 percelen op 1 bedrijf.

tabel met de resultaten van analyses op 3 percelen op 1 bedrijf.

We zien dat er ongeveer 10 – 15 kg N beschikbaar komt voor de plant. Dit getal is geen verrassing. Door de droge winter is er nauwelijks stikstof uitgespoeld.

Mineralisatie

Uit onderzoek van Jeroen Pijlman (LBI) bleek dat op gemiddelde veengrond vanaf maart stikstof beschikbaar komt voor de plant als gevolg van mineralisatie. Deze hoeveelheid is sterk afhankelijk van de temperatuur. In 2017 werd de mineralisatie ingeschat zoals in onderstaande grafiek weergegeven.

We zien dat er voor de eerste snede ongeveer 25 kg N van de jaarlijkse 250 kg N als gevolg van mineralisatie vrijkomt.

Conclusie

Als u aan de gewenste bemesting rekent, dan zult u zien dat u dit jaar 35 – 40 kg N minder hoeft te bemesten in de vorm van drijfmest of kunstmest!

BLOG: Dreigende verrassing

De voerindustrie is niet proactief rond stikstof. Daarmee komt gedwongen krimp in zicht.

Ik bezocht eind oktober een bijeenkomst over ammoniakemissie maatregelen in het westen van het land. Aanleiding voor deze bijeenkomst zijn de Natura2000-gebieden in die regio, waardoor er grote uitdagingen zijn om de ammoniakemissie te verlagen. In de zaal waren verschillende voerfirma’s vertegenwoordigd, en ook de overheid en onderzoekers. De beleidsambtenaar gaf aan dat de ammoniakemissie omlaag moet, en wel in heel Nederland. Landbouw en overheid hebben hier eerder al afspraken over gemaakt: de overheid zet wetgeving in om de emissie bij het mest uitrijden en in de stal te verlagen. En de sector gaat werken aan voer- en managementmaatregelen om de emissie te verlagen. Dat moet uiteindelijk 3.000 ton ammoniak opleveren. Denk hierbij aan een laag ureumgehalte in tankmelk of een laag stikstofgehalte in het rantsoen. In 2021 zou dit al gerealiseerd moeten zijn. Een mooie deal van de sector om zo via de zogenaamde PAS ontwikkelruimte te verdienen.

Uit monitoring blijkt echter dat de ammoniakemissie de afgelopen jaren niet verlaagd is, maar juist verhoogd. Iedereen weet dat dit niet door de varkens of het pluimvee komt en dat vooral de rundveesector aan zet is. ‘Dus de uitdaging is groot en de urgentie is hoog’, gaf de overheidsvertegenwoordiger aan, ‘zeker ook in het veenweidegebied’.

Nu even terug naar de ammoniak bijeenkomst. We zaten daar met een ruime vertegenwoordiging van de voerindustrie om de tafel. Slimme en creatieve mensen als het gaat om voer- en managementmaatregelen in te vullen voor een lagere ammoniakemissie. Ze werden gesterkt door een WUR-voedingsonderzoeker die aangaf dat in theorie het ruw-eiwitgehalte van het rantsoen wel naar 125 gram per kilo kan. Bij dat lage ruweiwitgehalte zijn er nog geen nadelige effecten voor de melkproductie te verwachten. Maar wat schetst mijn verbazing? De creativiteit van de voerindustrie maakte plaats voor een sterk defensieve houding: ‘Met dit gras en deze veenbodem halen we geen lage eiwitgehalten in het rantsoen’, ‘dat kan helemaal niet’, of ‘hoe denk jij 1.000 VEM uit dit gras te halen?’

Toegegeven, eenvoudig is het allemaal niet, maar een verlaging van de huidige circa 170 naar 145 gram ruw eiwit per kilo voer zou al een flinke stap met een behoorlijk groot effect op de stikstofverliezen zijn, en daarmee ook op de uitstoot van ammoniak. Bovendien laten de 2 Koeien & Kansen-bedrijven in die omgeving zien dat ze in 2017 naar een ruw eiwit gehalte van 155 en 165 g Re/kVEM in het totale rantsoen kunnen.

Ik had hoge verwachtingen van de voerindustrie. In het Fosfaatreductieplan 2017 heeft deze sector ook een mooie inspanning geleverd, zodat de sector uiteindelijk onder het fosfaatplafond uitkwam. Mijn angst is nu dat het stikstofplafond ons door de vingers glipt als creativiteit op het voer- en managementspoor uitblijft. Dit kan, maar eerder nog, zál weer leiden tot ingrijpen van de overheid en die heeft nu de sleutel op dieraantallen al in de hand met de fosfaatrechten. Na afloop van de bijeenkomst verzuchtte de overheidsvertegenwoordiger: ‘Ik weet wat ons te doen staat’.

Laat het niet zo ver komen, wees alert en laat je niet verrassen door stikstof!

Deze column van WUR-onderzoeker Michel de Haan is eerder verschenen in Melkvee 100 plus

Eerst rekenen, dan strooien!

Uit de kringloopwijzers 2018 van de pilotbedrijven vallen twee dingen op:

  1. het ruw eiwit gehalte in het krachtvoer is beduidend lager dan in 2017;
  2. het ruw eiwit gehalte in het gras is beduidend hoger dan in 2017.

Samen zorgt dit er voor dat het rantsoen voor wat betreft ruw eiwit op gelijk (hoog!) niveau is gebleven. Hierdoor is de vooruitgang van krachtvoer met minder ruw eiwit nagenoeg teniet gedaan!

En dat is jammer, want dan is de extra reductie aan ammoniak ook verwaarloosbaar.

Wat te doen?

Op veel bedrijven in het veenweidegebied is gras een belangrijk deel van het rantsoen. Als dit gras teveel aan eiwit bevat (> 170), is dit nauwelijks meer te compenseren met mais, bijproducten en brok. Om dit te doorbreken is het enige handvat: de bemesting aanpassen!

Stel dat u een behoorlijke maaisnede (3.500 kg ds) met 170 gram ruw eiwit wilt hebben.

Dan heeft het gewas 3.500 x 170 / 6,25 = 95 kg N nodig. Deze stikstof komt uit drie bronnen: voorraad in de bodem, drijfmest en kunstmest. Hieronder lopen we deze drie bronnen langs en kijken hoeveel kg N deze geven.


1.

Stikstofbron: Voorraad in de bodem (wordt nog nader onderzocht)

Vanwege de droge winter verwachten we dat er naast de basisvoorraad nog wel 10 – 15 kg extra werkzame N in de bodem aanwezig is. Deze komt met de 1e snede vrij.

Beschikbare N: 10 – 15 kg


2.

Stikstofbron: Drijfmest

Stel dat u op de maaipercelen 35 kuub drijfmest uitrijdt, verdund met water. De hoeveelheid N in de drijfmest is ongeveer 4 kg N per ton mest. Van deze 4 kg N, is 45% direct beschikbaar (= niet organisch): 4 x 45% = 1,8 kg N => als u een eigen mestmonster laat nemen, is zowel de totale kg N als het direct beschikbare (N-amm) bekend.

Van de direct beschikbare 1,8 kg N is de werkingscoëfficiënt bij aanwenden met water ongeveer 85% = 1,8 x 85% = 1,53 kg N

In totaal komt via de drijfmest beschikbaar voor de 1e snede: 35 x 1,53 kg N = 54 kg N

Beschikbare N: 54 kg


3.

Stikstofbron: Kunstmest

De sluitpost in de voorjaarsbemesting is de kunstmest. Hiermee kan worden bepaald hoeveel ruw eiwit er uiteindelijk in het gras terecht komt.

In dit voorbeeld is aan kunstmest nodig:  95 – 15 – 54 = 26 kg N!

Dit komt overeen met niet meer dan 100 kg KAS per ha.

Beschikbare N: 26 kg


 

De praktijk leert dat er vaak meer op gaat …. Dat kost geld, zorgt voor een overmaat aan eiwit in het rantsoen en daarmee voor meer ammoniak!

Het advies is: eerst rekenen, dan strooien!

 

Factsheet: Melkvee(n)wijzer reductie ammoniakemissie

Hoe verlaag je de ammoniakemissie op veen met tenminste 25% om de doelen van de Duurzame Zuivelketen in 2020 te bereiken? Download hier het factsheet. Deze Melkvee(n)wijzer biedt effectieve maatregelen, uitgetest door melkveehouders uit Proeftuin Veenweiden.

Lees er meer over in het factsheet.

 

Eiwit als gaspedaal? Feit of fictie? Reageer nu!

“Eiwit is het gaspedaal van het rantsoen”, een veel gebezigde uitspraak die tussen de oren zit bij veel veehouders. Adviseurs van PPP-Agro advies onderzochten of deze bewering wel klopt.

Met behulp van de data van de 80 rantsoenen van de deelnemers aan de Proeftuin Veenweiden en deelnemers aan andere projecten konden zij voereiwit, melkgift en ureumgetal analyseren.

Melkgift

In de onderstaande grafiek zijn het eiwitgehalte van het rantsoen en de melkgift (meetmelk) tegen elkaar uitgezet. Wat zegt dit beeld?

  • Het gemiddelde rantsoen bestaat uit 160 gram eiwit per kg ds. (ex ammoniak fractie);
  • Er is een grote spreiding van eiwitgehalten in de rantsoenen;
  • Er is geen verband te vinden tussen het eiwitgehalte in het voer en de melkgift (de stippellijn geeft dit weer).

Conclusie: Deze analyse geeft geen onderbouwing van de uitspraak dat eiwit het gaspedaal is om veel te melken.

Ureum

Bij het doorrekenen van een rantsoen geeft het programma meteen een indicatie van het ureumgehalte, ofwel hoeveel benutting aan eiwit er in het rantsoen zit. Onderstaande grafiek laat zien hoe het verwachte ureumgehalte is van de voorgeschreven rantsoenen. Wat valt hierbij op?

  • Er is een grote spreiding te zien in ureumgetal (tussen de 17 en 34!);
  • Er zijn weinig rantsoenen (4!) met een ureumgetal van onder de 20.

Conclusie: De berekende rantsoenen hebben gemiddeld genomen een veel hoger ureum dan optimaal is voor een goede eiwitbenutting.

Wat zijn uw ervaringen?

Deze uitkomsten roepen verschillende vragen op. Naar aanleiding van deze rantsoenberekeningen hebben we de volgende vragen aan u:

  • waarom wordt er nog steeds zoveel eiwit in de rantsoenen geadviseerd?
  • waarom worden zulke hoge verwachte ureumgehalten geaccepteerd?

Het zou mooi zijn als u daarop zou kunnen reageren. Dit kan door een mail te sturen naar d.kool@ppp-agro.nl, dan komen we daar de volgende nieuwsbrief op terug.

Mono-vergisten kan bijdragen aan minder emissies op veenweidebedrijf

Uit de scenarioberekeningen blijkt dat in bepaalde situaties mono-vergisten interessant kan zijn, omdat het zorgt voor minder emissies van ammoniak en methaan en een beter inkomen. Het vergisten van verse mest en van de feces fractie leveren de beste milieuprestaties op en daarvan is het vergisten van feces het beste voor de portemonnee. Dit blijkt uit een scenariostudie van Proeftuin Veenweiden, uitgevoerd door Wageningen Livestock Research. De emissie van methaan en ammoniak kunnen ruim 10% verminderen, maar dan moet wel het hele bedrijfssysteem aangepast worden en niet beperkt blijven tot een vergister achter de stal.

Het beste milieuresultaat wordt geboekt met vergisting van alleen de feces fractie en van verse mest. Het plaatsen van een vergister bij de stal en daarmee oude mest vanonder de roostervloer vergisten, leidt juist tot meer emissie van methaan en ammoniak naar het milieu. Ook heeft het in veel gevallen een negatieve invloed op het inkomen.

Bij vergisting van de feces fractie en bij verse mest zijn de gevolgen voor methaan- en ammoniakemissie een stuk gunstiger dan met oude mest, vooral omdat de stalemissie sterk wordt beperkt. Ook kunnen beide scenario’s tot een verbetering van het inkomen leiden. Voorwaarde voor de inkomensverbetering is wel dat de overheidssubsidie voor elektriciteit en warmte in stand blijft. Andere subsidies (voor o.a. CO2-reductie) kunnen het wegvallen van (een deel van deze) rijkssubsidies niet opvangen. Ook is het technisch goed draaien van de vergister essentieel voor voldoende gasopbrengst en daarmee voor een economisch gunstig perspectief van vergisten.

Tenslotte zijn in deze vergelijking de economische resultaten van vergisten in nieuwbouwsituaties duidelijk beter dan de resultaten bij het aanpassen van een bestaande situatie. Onder andere omdat voor de verse mest geen mestopslag onder de stal meer nodig is. Monovergisten zal daarom eerder interessant zijn bij nieuwbouw, dan bij aanpassing van een bestaande bedrijfssituatie.

Meer weten over de verschillende scenario’s?

Lees artikel: Minder emissies mogelijk bij mono-vergisten op veenweidebedrijf

Meer weten over de kennissessie?

Lees kennissessie: Via monovergisten naar minder methaan- en ammoniakemissie?

Genoeg eiwit van eigen land! Nu nog benutten…

De kringloopwijzers van de proeftuinboeren laten zien dat dat de grasvoorraden in 2016 en 2017 flink zijn toegenomen. Maar ook dat meer kracht- en bijproducten zijn gevoerd. Daarmee gaan we de kringlopen niet sluiten… Een beter gebruik van eigen eiwit staat dus hoog op de agenda!

Vergelijking Kringloopwijzers

Van de 100 boeren die meedraaien met de pilotbedrijven van Proeftuin Veenweiden zijn de KringloopWijzers van 2016 met het jaar 2017 vergeleken. Daaruit komen een paar opvallende zaken naar voren, vooral op het gebied van mestverdunning met water. Een kleine groep boeren was al volop met mestverdunning bezig, omdat het duidelijk meeropbrengst geeft, maar door de Proeftuin zijn meer collega’s ermee aan de slag gegaan. Er is bovendien een tweede belangrijke reden voor: reductie van ammoniakemissie. Twee vliegen in 1 klap dus. Behalve mestverdunning ligt binnen de Proeftuin ook de focus op minder eiwit in het rantsoen als manier om ammoniakuitstoot te verlagen.

Productie is fors gestegen

In onderstaande tabel is te zien dat de veestapel en ook het aantal stuks jongvee per 10 melkkoeien gedaald is. De stijging van de hoeveelheid melk met 320kg kan goed zijn aangewakkerd door de GVE-regeling die in 2017 gold en de manier waarop de voerindustrie daarop heeft ingespeeld. In de KLW is te zien dat er meer kracht- en bijproducten zijn gevoerd, maar ook dat er minder dieren vervroegd zijn afgevoerd. Gezien het feit dat er minder jongvee en ook wat minder melkkoeien zijn, is een toename van de voorraden dan ook een logisch gevolg.

Algemene bedrijfsgegevens

Aantal koeien Jongvee/10 mk kg melk per koe
2016 105 5,4 8082
2017 102 4,8 8402

Voorraden komen van pas

De grasvoorraden in 2016 en 2017 zijn flink toegenomen, zoals te zien is in onderstaande tabel. Deels komen deze goed van pas door de droge zomer van 2018. Maar de tabel laat ook zien dat hoewel er een enorme grasvoorraad is aangelegd, er in de rantsoenen nauwelijks meer weide- en kuilgras is gevoerd. Geen goede ontwikkeling als we kringlopen willen sluiten. Hopelijk werken de huidige ontwikkelingen zoals de sectorvisie kringlooplandbouw als steun in de rug om eigen ruwvoer weer op de eerste plaats te zetten!

Voorraadmutatie graskuil

Grasvoorraad Aandeel gras in rantsoen
2016 15% 59%
2017 6% 60%

Veel eiwit van eigen land

De doelstelling die is gesteld voor het percentage eiwit van eigen land is 65 procent. Daarmee zijn minder eiwitproducten van ‘ver’ nodig. De groep proeftuinboeren scoorde in 2016 al boven deze norm met 67%. In 2017 is dit nog eens gestegen tot 72% eiwit van eigen land. Eiwit van eigen land wordt dus ruimschoots gehaald! Zeker als de voorraadmutatie mag worden meegeteld! Dat gaat er wellicht af in de toekomst. Dan telt alleen wat er wordt gevoerd. Melkveehouders scoren dus hoog met wat ze aan eiwit van eigen land halen.

Grote uitdaging om het eiwit te benutten

Het ruw eiwit in de eindvoorraad van graskuil is met 17.9% een stuk hoger dan het eiwit van graskuil in het vervoederde rantsoen in 2017, met een eiwit van 16.7%. Er ligt dus een grotere voorraad en een nog grotere eiwitvoorraad. De grote uitdaging voor nu is hoe we dit eiwit gaan benutten! Voor dit najaar en komende winter ligt de focus op de winterrantsoenen. We maken een inventarisatie van de rantsoenen en gaan de verbeterpunten in de studiegroepen aanpakken.

 

Verlaging ruw eiwit steeds urgenter

Mengvoerleveranciers afwachtend

De eerste stap is gezet. Alle mengvoerleveranciers in West-Nederland kregen onlangs van LTO Noord, PPP-Agro Advies en VIC Zegveld de uitnodiging voor een goed gesprek over een voeradvies met een lager percentage ruw eiwit. Het onderwerp staat bij hen ook op de agenda, da’s wel duidelijk; 90% van de mengvoederbedrijven actief in West Nederland was aanwezig in Zegveld.

Minder ruw eiwit in het voer

Het ging over de noodzaak van een aangepast voeradvies in de Veenweiden. Alle ammoniakproducenten, dus ook melkveehouders moeten hun steentje bijdragen de depositie op stikstofgevoelige natuurgebieden in onze regio terug te dringen. Een keiharde voorwaarde om met elkaar te kunnen blijven boeren in dit gebied. Minder ruw eiwit in het voerrantsoen is een van de belangrijkste maatregelen die de noodzakelijke reductie in ammoniakemissie mogelijk maakt.

Scherp advies is spannende exercitie

Is dit nieuwe informatie? Niet echt, er liggen al jaren afspraken tussen vertegenwoordigers van de mengvoerindustrie en het ministerie om maatregelen te nemen op het gebied van ammoniakemissie. Gaat er dan nu, na dit gesprek wat veranderen? Nog niet, is de verwachting, daarvoor werden de voerleveranciers te weinig concreet. Ze gaven aan dat er mogelijkheden zijn, maar dat het heel lastig is en veel van het bedrijfsmanagement bij de veehouder vraagt. De opmerking dat eiwit het gaspedaal voor de melkproductie is schiet in de roos. Een verlaging van het eiwit in het rantsoen is balanceren op de rand van de behoefte van een koe. Verlagen van het ruw eiwit in het rantsoen vraagt echt vakmanschap van boer en veevoederleverancier.

Uit het gesprek kwamen geen nieuwe afspraken voort, dus er zal zeker op korte termijn een vervolggesprek moeten komen om met de individuele veevoerbedrijven te kijken wat er wèl mogelijk is. Veehouder en voerleverancier moeten samen in beweging komen om de benutting van stikstof te verbeteren. Als melkveehouder alleen red je het niet.

“Van onverteerbaar advies wordt je bedrijf niet beter, van 15% ruw eiwit in het voer wel”

Het is een half jaar geleden dat LTO Noord, PPP-Agro Advies en VIC Zegveld in samenwerking met Proeftuin Veenweiden bij melkveehouders en adviseurs het belang van minder ruw eiwit in het voer benadrukten. Dat deden ze met advertenties en artikelen in de campagne ‘Op grond van Morgen’. De aftrap was met de slogan: “Van onverteerbaar advies wordt je bedrijf niet beter, van 15% ruw eiwit in het voer wel” en dat leidde tot heel wat reacties. Tijdens de Proeftuin Veenweiden bijeenkomsten die daarop volgden, met FrieslandCampina en De Samenwerking, kregen melkveehouders concrete tips hoe ze met het eiwitgehalte in het voer aan de slag kunnen gaan.

Welke mengvoerbedrijven en –adviseurs pakken dit op?

Verlaging van ruw eiwit in het voer blijft een speerpunt. Op korte termijn stappen zetten is nodig om op lange termijn de gewaardeerde melkveehouderij in onze regio vitaal en wendbaar te houden. Dat is ook de verantwoordelijkheid van de mengvoerleveranciers, want een bijpassend rantsoen is onmisbaar. Een gezonde toekomst van de veehouderij in West Nederland staat op het spel nu de PAS opnieuw op het spel staat. Afwachten heeft geen zin meer. LTO Noord, PPP-Agro Advies en VIC Zegveld zijn op zoek naar mengvoerbedrijven en –adviseurs die – samen met hen – de uitdaging aan willen gaan.