Metingen veldproef smalle weegbree van start

Smalle weegbree is een productief kruid, wat een stofje produceert dat mogelijk een gunstig effect heeft op de bodemmineralisatie. Vorig jaar is bij KTC Zegveld een veldproef ingezaaid met mengsels van smalle weegbree en Engels raaigras. Dit jaar wordt daar volop aan gemeten. Doel van de metingen aan smalle weegbree is om meer inzicht te krijgen in de hoeveel stikstof die gemineraliseerd wordt en waar gemineraliseerde stikstof gedurende het seizoen naar toe gaat. Gaat de stikstof naar gewasopname, uitspoeling of denitrificatie?

In deze proef worden dit jaar droge stof- en eiwitopbrengsten gemeten, om zo een beter beeld te krijgen van hoe het kruid in het veenweidegebied groeit. Ook worden diverse metingen gedaan aan stikstofgehalten in en stikstofverliezen van de bodem. Mengsels met Engels raaigras worden gebruikt om de metingen aan smalle weegbree mee te vergelijken.

Veenweidepercelen zijn rijk aan organische stof en door mineralisatie van die organische stof neemt het gras relatief veel stikstof op. Hierdoor bevatten de grasrijke rantsoenen van veenweidebedrijven al snel meer eiwit dan de koeien op dat moment nodig hebben. Vervolgens scheiden koeien het overtollig opgenomen eiwitstikstof uit via urine en mest, wat extra ammoniakemissie oplevert. Met de inzet van smalle weegbree onderzoeken we of we de bodemmineralisatie en opname van stikstof uit bodemmineralisatie kunnen beïnvloeden, om uiteindelijk ammoniakemissie te kunnen verminderen.

Uit een eerdere proef, waarin veengrond overgebracht was naar bakken in een kas, bleek na afloop van de proef dat de potentiële omzetting van ammonium naar nitraat in de bodem met smalle weegbree bijna 40% lager was dan met alleen Engels raaigras. Nitraat spoelt makkelijker uit dan ammonium; het kan dus betekenen dat smalle weegbree kan bijdragen aan het verminderen van nitraatuitspoeling.

Lees hier meer: Smalle weegbree multifunctioneel kruid

Meer weten?

Mail naar Jeroen Pijlman (j.pijlman@louisbolk.nl) of Nick van Eekeren (n.vaneekeren@louisbolk.nl)

Bijeenkomst: Melkveehouderij op veen richting 2030!

Proeftuin Veenweiden organiseert in samenwerking met FrieslandCampina en De Samenwerking drie regio avonden voor melkveehouders en adviseurs in de veenweiden. Bijeenkomsten die bedoeld zijn om praktische handvatten te geven voor integrale duurzaamheid op uw bedrijf. Inderdaad, 2030 lijkt nog heel ver weg, maar voor die tijd moet er nog veel gebeuren. Op deze avonden wordt u daarover bijgepraat. Trefwoorden daarbij zijn: waterkwaliteit, ammoniak, eiwitbenutting, biodiversiteit, bodemkwaliteit en graslandbeheer. Wat kun je doen en hoe meet je dat?

Op 31 mei, 5 juni en 7 juni kunt u in uw eigen regio hier meer over horen en over meepraten. Kies voor één van onderstaande data en locaties:

  • donderdagavond 31 mei in Hoornaar:
    • Zalencentrum Het Bruisende Hart, Dirk IV-Plein, 4223 MA Hoornaar
  • dinsdagavond 5 juni in Haastrecht:
    • De Samenwerking, Provincialeweg Oost 34a, 2851 AE Haastrecht
  • donderdagavond 7 juni in Breukelen:
    • Van der Valk Hotel Breukelen, Stationsweg 91, 3621 LK Breukelen

Meer over programma en aanmelden via proeftuinveenweiden.nl/veen2030

Minder ammoniakemissie en hogere grasopbrengst met verdunde mest

Het uitrijden van met water verdunde runderdrijfmest met een sleepvoetmachine kan de ammoniakemissie tot wel 40% verminderen. De daarmee gespaarde ammoniakstikstof leidt tot een extra stikstofopname van het gras, en bij sterke verdunning tot een aantoonbaar hogere opbrengst. Dit blijkt uit meerjarige emissiemetingen en een éénjarige veldproef naar grasopbrengst op veen- en kleigrond uitgevoerd door Wageningen University & Research in opdracht van LTO Noord in het kader van Proeftuin Natura 2000.

Twee proeven met verdunde mest

Het verdunnen met water is gangbaar bij mesttoediening waarbij de mest wordt aangevoerd met een sleepslangsysteem. Dat wordt vooral gedaan om de mest goed te kunnen verpompen, maar het vermindert tevens de ammoniakemissie. In een eerder onderzoek werd namelijk al aangetoond dat met water verdunde mest, toegediend met een sleepvoetmachine, tot vermindering van de ammoniakemissie leidt. In 2016 en 2017 zijn vervolgmetingen uitgevoerd naar het effect van verdunnen van mest met water op de ammoniakemissie. Een oriënterende proef leidde ook tot een hogere grasopbrengst. Om de uitkomsten daarvan te staven is in 2016 een jaarrondproef naar de grasopbrengst op veen- en kleigrond uitgevoerd.

Minder ammoniakemissie door verdunning

In 2016 gaven de verdunningen van 1 deel mest op 0,25 deel water (20% water) en 1 deel mest op 0,5 deel water (33% water) een gemiddelde emissiereductie van respectievelijk 25 en 48%. In 2017 werd bij een verdunning van 1 op 0,33 (25% water) een gemiddelde emissiereductie gevonden van 21%. De gemeten ammoniakemissie van de onverdunde mest was gemiddeld hoger dan in het verleden werd gevonden. Dit is mogelijk te verklaren door onder andere weers- en bodemomstandigheden, mestsamenstelling en uitvoering van de mesttoediening. De mest werd uitgereden met een sleepvoetmachine en kort voor het uitrijden in de tank verdund. De resultaten zijn beschreven in het rapport “Ammoniakemissie bij met water verdunde mest toegediend met een sleepvoetenmachine op grasland : resultaten 2016-2017”.

Goede relatie tussen beschikbare en opgenomen stikstof

Minder ammoniakemissie betekent minder stikstofverlies en dus dat er meer ammoniakstikstof uit de toegediende mest beschikbaar is voor het gras. In het éénjarige onderzoek naar de effecten hiervan op de grasgroei op veen- en kleigrond werden echter nauwelijks betrouwbare verschillen in droge-stofopbrengst gevonden tussen de verschillende verdunningen en onverdunde mest. Slechts in een geval op kleigrond werd bij een verdunning van 1/1 een aantoonbaar hogere opbrengst gemeten. Het berekende extra stikstofaanbod door verdunning varieerde per aanwending van 4 tot 24 kg per ha afhankelijk van mestdosering, grondsoort en de verdunning. Ondanks de beperkte verschillen in grasopbrengsten tussen verdunde en onverdunde mest werd een duidelijke relatie gevonden tussen de berekende extra beschikbare stikstof (als gevolg van minder emissie) en de gemeten extra stikstofopname door het gewas. De veldproeven worden beschreven in het rapport “Benutting verdunde mest aangewend met sleepvoetenmachine op grasland”.

Meer informatie:

  • Jan Huijsmans, jan.huijsmans@wur.nl
  • Herman van Schooten, herman.vanschooten@wur.nl

Sturen op eiwitniveau in krachtvoer loont tijdens het weideseizoen

In een tweejarige beweidingsproef met kurzrasen en stripgrazen op KTC Zegveld is gekeken naar het effect van het verlagen van de onbestendig eiwit balans (OEB) in krachtvoer op het ureumgehalte in de melk en de melkproductie. Krachtvoer met een lage OEB verlaagde het melkureumgehalte met gemiddeld 45% in 2016 en 30% in 2017. Dit onderzoek is uitgevoerd door KTC Zegveld, Louis Bolk Instituut en Wageningen Livestock Research in het kader van de projecten Amazing Grazing en de PPS Ruwvoerproductie en Bodemmanagement.

Laag ureum, lagere ammoniakemissie

Een lager ureumgehalte in de melk is een indicatie van een betere stikstofbenutting en lagere ammoniakemissie. Weidegang heeft een verlagend effect op ammoniakemissie, maar ook hier valt nog een verdere reductie te behalen door aanpassing van het rantsoen. In de tweejarige beweidingsproef met kurzrasen en stripgrazen kregen de koeien naast beweid gras en kuilgras dagelijks ongeveer 7 kg krachtvoer met een lage (-50, OEB-L) of hoge (50, OEB-H) OEB. Kurzrasen had in 2016 een 40% hoger ureumgehalte dan stripgrazen, en in 2017 was het 22% hoger. De oorzaak is het hogere eiwitgehalte in het opgenomen kurzrasengras, dat volledig bestaat uit jonge grastopjes.

Seizoen heeft invloed

De ureumgehaltes vertonen ook een seizoensgebonden patroon. In het voorjaar zijn de waardes lager dan gemiddeld en in het najaar hoger. Dat past bij het eiwit- en VEM gehalte van het verse weidegras. In het voorjaar van 2016 resulteerde dit in ureumgehaltes van onder de 15 en was er een negatief effect op de melkproductie. In het najaar van 2016 en in 2017 en waren de ureumgehaltes steeds boven de 15 (of tijdelijk er net onder), en was er geen enkel effect op de meetmelkproductie.

Conclusie: het onderzoek toont aan dat sturen op het OEB-gehalte in het krachtvoer gedurende het weideseizoen loont als de gift goed wordt afgestemd op het beweidingssysteem en het seizoen.

effect van beweidingssysteem en OEB van krachtvoer

Figuur 1. Het effect van beweidingssysteem (KR = kurzrasen en SG = stripgrazen) en OEB van het krachtvoer (H = hoog, L = laag) op het melk ureumgehalte gedurende het weideseizoen.

Start gedragsonderzoek onder Proeftuin deelnemers

Als melkveehouder neem je vaak in samenspraak met adviseurs beslissingen om de emissie van ammoniak te beperken. Welke factoren spelen daarbij een rol? En door wie of wat worden die beïnvloed? Om dat boven tafel te halen, start Proeftuin Veenweiden een gedragsonderzoek.

Wanneer viel het kwartje?

De proeftuin draait nu ruim twee jaar. Tijd om te onderzoeken of en hoe maatregelen en experimenten van invloed zijn (geweest) op het handelen van melkveehouders. Met andere woorden: waardoor viel het kwartje waardoor zij dingen anders zijn gaan doen? Als we weten ‘hoe en waarom’ bepaalde beslissingen worden genomen, kunnen we positief gedrag effectiever stimuleren.

Inzichten om op door te pakken

Daarvoor is het ook goed om te weten wat de mogelijke belemmeringen zijn om maatregelen toe te passen. Ook die komen aan bod tijdens het onderzoek. Inzichten uit het gedragsonderzoek helpen adviseurs, bedrijfsleven en overheden om keuzes te maken voor effectievere maatregelen; maatregelen waar melkveehouders mee aan de slag willen, waardoor er uiteindelijk minder ammoniakemissie plaatsvindt.

Plan van aanpak

Het gedragsonderzoek wordt vanuit verschillende invalshoeken aangevlogen:

  1. Vijf pilotboeren en vijf melkveehouders uit de ontwikkelteams worden op hun bedrijf geïnterviewd; start eind april/begin mei;
  2. Twee adviseurs en een of twee loonwerkers worden geïnterviewd; in mei of juni;
  3. Er wordt een schriftelijke enquête gehouden tijdens groepsbijeenkomsten (van elk ca. 10 melkveehouders); in mei, juni.

De interviews en de enquête worden uitgevoerd door onderzoekers Paul Galama en Maikel Timmerman van Wageningen Livestock Research, en Studente Henrieke  van den Dool van Aeres Hogeschool. Na analyse van de uitkomsten weten we beter wat wel of niet motiveert om ammoniakemissie maatregelen in de praktijk toe te passen.

Meer weten over het onderzoek? Mail naar paul.galama@wur.nl

Vóór 22 mei hoef je niet te maaien!

Dé manier om het eiwitgehalte van het gras in de hand te houden, is gericht bemesten en niet te snel maaien. Uit graskuilanalyses over meerdere jaren blijkt dat het maaimoment prima na half mei kan zijn.

Kuilanalyse geeft inzicht in verteerbaarheid

Tijdens de Masterclass voor de pilotboeren van Proeftuin Veenweiden onderbouwde Aart Malestein, onafhankelijk voeradviseur, bovenstaande conclusie. Hij had voor één van de pilotbedrijven de kuilanalyses over meerdere jaren op volgorde van oogstdatum gezet. Daaraan was duidelijk te zien dat eind mei de verteerbaarheid van het gras afneemt door een forse daling van de verteerbaarheid van de celwanden (uitgedrukt in het getal VC-ndf). Dat verhoutingsproces moeten we uiteraard vóór zijn, want een dergelijke kuil kennen we nog wel van 2016.

Verloop VC-ndf van mei tot augustus

Tot half mei dus geen zorgen over de verteerbaarheid van het gras, maar vooral focussen op het gehalte aan ruw eiwit in het gras en de weersverwachting voor de komende weken.

Minder ruw eiwit in het gras

In een grasrijk rantsoen, zoals dat in het westelijk veenweidegebied veel voorkomt, is het van belang om het ruw eiwit in het gras te temperen. Hiermee wordt voorkomen dat een overdaad aan eiwit wordt gevoerd wat slecht is voor de gezondheid van de koe en de uitstoot van ammoniak. Dé manier om het eiwitgehalte van het gras in de hand te houden, is gericht bemesten en niet te snel maaien. Uitgaande van 3.500 kg ds per ha en 160 gram ruw eiwit vraagt dit een bemesting van 90 kg zuivere stikstof. Bij 30 kuub drijfmest kan er nog 40 kg zuivere stikstof in de vorm van kunstmest worden toegevoegd.

Geduld loont

En dan is het wachten tot er daadwerkelijk 3.500 kg droge stof staat. Als het strak blauw weer is, is dat geen kunst. Bij wisselvalliger weer is dat moeilijker en kunt je 10 dagen (!) reserve inbouwen.

Oftewel: vóór 12 mei hoef je niet op de trekker te stappen om te gaan maaien. Sterker nog; dat zou alleen maar jammer zijn als het gaat om de hoeveelheid en de kwaliteit van het gras. Kijk nog even naar bovenstaande grafiek en bewaar je geduld…

Blog: Omdat het moet én kan!

‘Op grond van morgen’ is de titel van een wellicht wat opmerkelijke campagne die momenteel in West-Nederland loopt. Van verschillende mensen in mijn omgeving heb ik hierop in de afgelopen weken reacties ontvangen, omdat LTO-Noord regio West een van de initiatiefnemers is.

PERSBERICHT: Urgentie ammoniakreductie voor melkveehouderij Westelijke Veenweiden

Partijen roepen boeren en adviseurs op niet te wachten tot 2030

Zaterdag 17 maart a.s. start in West-Nederland de campagne www.opGrondvanMorgen.nl om aandacht te vestigen op de noodzaak en mogelijkheden van 25% ammoniakreductie in de melkveehouderij. Allereerst vestigen de initiatiefnemers LTO Noord regio West, PPP-Agro Advies en Veenweiden Innovatiecentrum (VIC) de aandacht op reductie via het voerspoor. Als melkveehouders in Nederland niet in staat zijn een stevige ammoniakreductie van 25% te realiseren, moet er weer fors gesneden worden in het aantal melkkoeien.

LTO Noord regio West, PPP-Agro Advies en Veenweiden Innovatiecentrum (VIC) trekken aan de bel vanuit hun verantwoordelijkheid en verbondenheid met de sector. Ze voeren de komende 4 weken de campagne www.opGrondvanMorgen.nl om aandacht te vestigen op de noodzaak en mogelijkheden van 25% ammoniakreductie. De pilotboeren van Proeftuin Veenweiden, waarbinnen de initiatiefnemers gezamenlijk optreden, weten na 1,5 jaar al een reductie van gemiddeld 19% te realiseren. Onderzoek van onder andere Wageningen Universiteit & Research en het Louis Bolk Instituut laat zien dat de mest- en voermaatregelen gericht op ammoniakreductie een daling van 25% haalbaar maakt en tevens tot betere bedrijfsresultaten leidt.


Campagnetekst week 1:
“Van een onverteerbaar advies wordt je bedrijf niet beter”
Van 15% ruw eiwit in het rantsoen wél!


Door middel van de campagnewebsite www.opGrondvanMorgen.nl, aandacht in de agrarische bladen, filmmateriaal waarin pilotboeren uit de Proeftuin Veenweiden hun ervaringen delen en berichten op sociale media willen de initiatiefnemers de melkveehouders en het zakelijke netwerk daaromheen prikkelen om hiermee aan de slag te gaan. Concreet gaat het in de campagne om een aantal succesvolle maatregelen die navolging verdienen, zoals verdund uitrijden van mest op het juiste moment, zorgen voor een rantsoen met 15% ruweiwit en het toepassen van onderwaterdrainage. Uiteraard naast andere maatregelen die boeren kunnen toepassen op hun bedrijf, zoals minder jongvee en minder of geen gebruik van kunstmest.

Sinds 2015 kon de melkveehouderij fors groeien dankzij het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Tot bijna 1.8 miljoen melkkoeien. Als tegenprestatie voor die ontvangen ontwikkelruimte heeft de sector beloofd om 10 miljoen kg ammoniakemissie te reduceren ten opzichte van het jaar 2013. Dat doel moet in 2030 bereikt worden en duurt dus nog even, maar mede door de forse groei van de melkveehouderij is dat doel eerder verder af dan dichterbij gekomen. In juli 2017 greep de overheid via de noodgreep van de fosfaatregeling in en nam het aantal melkkoeien met zo’n 90.000 af. Een nieuwe ronde hangt boven het hoofd wanneer de sector de afgesproken reductie niet nakomt.

De urgentie voor ammoniakreductie speelt in heel Nederland. Een rantsoen van een bedrijf in de veenweiden bevat veel gras met veelal hoge ruw eiwitgehalten. Deze bedrijven hebben te maken met een hoger stikstofoverschot en dat betekent ook meer kans op ammoniakemissie. Vandaar dat ammoniakemissie een relatief grotere uitdaging vormt in grasrijke gebieden zoals de Westelijke Veenweiden dan in gebieden waar ook mais geteeld kan worden.

Stuur met bemesting op lager ruweiwit in rantsoen

Wat voor ruweiwit (RE) in gras heb ik nodig op mijn bedrijf en hoe kan ik daarin zo goed mogelijk voorzien met het perceeleigen stikstof leverend vermogen van de bodem (NLV) en de stikstofbenutting van de mest?

Die vraag legde adviseur Wim Honkoop van PPP-Agro Advies voor aan de pilotboeren van Proeftuin Veenweiden tijdens de masterclass Bemesting bij pilotboer Arno Plomp in Wilnis. Volgens de adviseur horen bij deze vragen twee belangrijke aandachtspunten:

  • Maak een landbouwkundig bemestingsplan.
  • Hoe houd ik DVE in het gras bij lagere RE-gehalten?

In het veenweidengebied zijn het vooral de extensieve bedrijven die op grond zitten die veel eiwit levert. Honkoop: „Dat leidt ertoe dat we in dit gebied een eiwitoverschot hebben. In de discussie om de ammoniakuitstoot te verlagen moeten we toe naar minder RE in het rantsoen, maar wel met dezelfde DVE in het product.”

Sturen met krachtvoer, passend ruwvoer oogsten

Pilotboeren binnen de Proeftuin streven naar een RE van 150-160 in het rantsoen, afhankelijk van het aandeel gras. Die doelstelling is na twee jaar op de meeste bedrijven niet bereikt, bleek tijdens de masterclass. Volgens Honkoop kunnen boeren hierop sturen met krachtvoer, maar is er ook veel winst te behalen in het juiste moment van bemesten en oogsten om passend ruwvoer te winnen. „We kunnen in de bemesting vooral sturen op kunstmest voor een optimaal ruweiwit. Als je een lager RE in het kuilgras wilt hebben, moet je minder kunstmest gaan strooien. De vraag is: krijg je dan wel voldoende DVE het product?”

Honkoop raadde de boeren aan een bemestingsplan te maken met de categorieën weiden, maaien, hoog NLV en laag NLV. Maak een onderscheid tussen maai- en weidepercelen, zei hij. Maaipercelen kunnen met 25-35 kuub drijfmest per hectare toe, op weidepercelen ligt dat op 15-25 kuub, afhankelijk van de fosfaatbehoefte. „We adviseren voor de voorjaarsbemesting een derde deel water bij de mest te doen, dat verhoogt de benutting met minimaal 10 procent. Heb je veel spoelwater in de mestput, ga dan uit van een verdunning met een vierde deel water. De kunstmestgift wordt vervolgens aangepast aan het ruweiwitniveau waarop je wilt uitkomen.”

Volgens de adviseur kan voor een goede bemesting, afgestemd op het gewenste RE-niveau, worden teruggekeken naar de uitgevoerde bemesting en kuilmonsters van de afgelopen drie jaar. Op basis daarvan kan de bemesting worden opgevoerd of teruggedraaid. „Als je wilt zakken in ruweiwit in de kuil, kun je een hogere NLV-klasse pakken dan je gewend bent; een hogere NLV-klasse adviseert een lagere bemesting.” Hij verwacht dat het voorjaar van 2018 dusdanig nat is, dat de beschikbaarheid van mineralen een stuk lager ligt dan in het voorjaar van 2017. „De mineralen zijn eerder vervluchtigd. Als je nu evenveel stikstof geeft als vorig jaar, kom je lager uit. Houd daar rekening mee.”

Hoe krijg je DVE met lager ruweiwit?

De uitdaging voor de veenweideboeren wordt om met een lager ruweiwit in het rantsoen het DVE-gehalte op peil te houden. Honkoop gaf daarvoor de volgende tips:

  • Droger inkuilen (voorjaarskuil 45-50 procent droge stof).
  • Optimale afstemming kuilen/balen/partijen op behoefte van diergroepen, met name ouder jongvee en droge koeien en oudmelkse dieren.
  • Totale in- en uitkuilproces zo optimaal mogelijk maken, zodat de benutting van het (lagere) eiwit verbetert.
  • Toevoegmiddelen kunnen helpen, maar niet per se.
  • In het voorjaar en 3e en 4e snede niet te jong oogsten, jong gras heeft ongunstigere DVE/OEB-verhouding. Sneden met stengel juist wel wat jonger oogsten.

Reductie ammoniakuitstoot hard nodig om veestapel te behouden

Deelnemers van Proeftuin Veenweiden steken hun nek uit om het gestelde doel van 25 procent vermindering van de ammoniakuitstoot te behalen. Dat stelt adviseur Barend Meerkerk van PPP-Agro Advies. „De ammoniakwetgeving wordt mogelijk nog lastiger dan de fosfaatwetgeving. De reductie is hard nodig om onze veestapel te behouden.”

Sinds 2015 kon de melkveehouderij fors groeien dankzij de PAS, tot bijna 1,8 miljoen melkkoeien. Als tegenprestatie voor die al ontvangen ontwikkelruimte heeft de landbouwsector beloofd om 10 miljoen kg ammoniakemissie gereduceerd te hebben ten opzichte van het jaar 2013. Dat doel moet in 2030 worden bereikt.

We staan voor grote opgave

Dat duurt nog even, zegt Meerkerk, maar mede door de forse groei van de melkveehouderij is dat doel eerder verderaf dan dichterbij gekomen. „In juli 2017 greep de overheid weliswaar in via de noodgreep van de fosfaatregeling en nam het aantal melkkoeien met ruwweg 90.000 af, maar dat aantal is nog ruim onvoldoende om de resterende reductieopgave van de Duurzame Zuivelketen weg te werken. Die opgave vraagt om nogmaals 290.000 melkkoeien minder.”

Het is dus duidelijk dat boeren met ammoniak aan de slag moeten. Welke maatregelen kunnen zij nemen? Meerkerk: „Dat kan door aanpassingen in het rantsoen (minder eiwit), weidegang, emissiearme stallen en het uitrijden van verdunde mest. We merken binnen Proeftuin Veenweiden dat weidegang en het uitrijden van verdunde mest goed bij de boeren tussen de oren zit, maar dat in het rantsoen nog een hoop winst te halen is. Uit een enquête onder de honderd deelnemers van de Proeftuin is gebleken dat het eiwitgehalte in het rantsoen nauwelijks daalt. Hier ligt een grote uitdaging.”

‘Het is 5 voor 12!’

Boeren kunnen op eiwit in het gras sturen door het toepassen van de juiste bemestingsstrategie en het kiezen van het juiste maaimoment. Bij bemesten is het voor de samenstelling van het gras belangrijk hoe, hoeveel, wanneer en met welk soort er wordt bemest, zegt de adviseur. „Verder moeten we met de mengvoerfabrikanten op zoek naar (kracht)voeders die goed passen bij het grasrijke rantsoen in de veenweiden. Hier ligt nog een flinke kans. Die moeten we pakken, wat ons betreft is het 5 voor 12.”

Binnen Proeftuin Veenweiden wordt gestreefd naar een ruweiwit van 160 in het rantsoen. De pilotboeren gaan samen met de eigen voeradviseur en de loonwerker een plan voor 2018 maken, vertelt Meerkerk. „We moeten met elkaar het verschil maken. We moeten er met zijn allen voor gaan, er zijn wat ons betreft al meer dan genoeg koeien gedwongen afgevoerd!”